Tunnelconstructie
Een tunnel is een lijnvormige constructie onder de grond die transport mogelijk maakt. De doorsnede is afhankelijk van de functie. De wand van de tunnel wordt tunnel lining genoemd. De tunnel lining geeft constructieve sterkte aan de tunnel en beschermt de tunnel tegen grondwater. Bij boortunnels is de lining opgebouwd uit segmenten die samen een ring vormen. De ring wordt compleet gemaakt door het sluitstuk. De dikte wordt voornamelijk bepaald door de vijzelkrachten van de boormachine en niet door grondbelasting.
De tunnel lining is in de meeste gevallen uitgevoerd in (gewapend) beton, maar in sommige gevallen wordt ook een stalen lining toegepast. Dit is het geval als het tunneltracé in holocene slappe lagen ligt, hier kan door kruip de belasting op de tunnelwand toenemen. Afhankelijk van de lengte en functie van de tunnel zijn ontluchtingssystemen, verlichting en een bepaald aantal vluchtgangen vereist.
De tunnellining bij boortunnels wordt vaak omgeven door een groutlichaam. Dit is een extra ring van grout van ca. 15 cm dikte om de buitenkant van de tunnel die volumeverliezen in de ondergrond door het boorproces compenseert. De grout wordt geïnjecteerd aan de achterzijde van de TBM door middel van staartspleet injectie.
Na uitharden van de groutlaag bestaat de belasting op de tunnelwand uit gronddrukken. Door verschil in gronddrukken in radiale richtingen kan de wand gaan ovaliseren.
Twee geboorde tunnelbuizen naast elkaar worden verbonden door middel van dwarsverbindingen. Deze fungeren als vluchtroutes bij calamiteiten. Ze worden aangelegd door middel van grondbevriezen (link naar het aspect grondverbeteren!). De grond wordt bevroren, de dwarsverbinding wordt gemaakt en de grond wordt vervolgens weer ontdooid.
Relevante documenten:
Toepassingen
Documenten
- Damwanden in het zicht [download]
- De toekomst is aangeboord [download]
