Leiderdorp, Groene Harttunnel
De Groene Harttunnel maakt deel uit van de het traject HSL-Zuid. Deze lijn verbindt Amsterdam en Rotterdam met Antwerpen, Brussel en Parijs. Het tracédeel (tussen het riviertje de Does tot aan het Westeinde) is als boortunnel aangelegd om natuur- en milieuwaarden van het Groene Hart te sparen.
De bouw is in de zomer van 2000 gestart en was naar verwachting medio 2005 gereed. Nergens ter wereld werd eerder over ruim zeven kilometer een tunnelbuis geboord met zo'n grote doorsnede: bijna vijftien meter. Eén tunnelboormachine maakt zo'n twintig meter onder de oppervlakte ruimte voor twee gescheiden tunnelhelften.

Door de tunnel te boren, zijn in het Groene Hart nauwelijks graafwerkzaamheden nodig geweest en werden schade aan het landschap en bouwoverlast zo veel mogelijk beperkt.
De tunnel
De boortunnel begint bij Leiderdorp, vlak bij het riviertje de Does in de Bospolder. Net ten zuiden van Westeinde in Hazerswoude-Dorp komt de tunnel weer boven de grond. De hogesnelheidstrein legt het traject af in anderhalve minuut met een snelheid die varieert tussen de 250 en 300 kilometer per uur.
De tunnel bestaat uit één buis van ruim zeven kilometer lang; inclusief toeritten bedraagt de lengte zelfsachtenhalve kilometer. De buitendiameter van de tunnelbuis is bijna vijftien meter. Deze omvang maakte de tunnel uniek in de wereld.

Een betonnen muur van vijfenveertig centimeter splitst de tunnelbuis in tweeën, waardoor twee compartimenten en dus een dubbelsporige tunnel ontstaan. Om de honderdvijftig meter zijn verbindingsdeuren gerealiseerd, zodat reizigers in geval van een calamiteit de veilige buis kunnen bereiken. Er zijn vijf schachten (drie in het geboorde deel en in elk van de gesloten toeritten) voor onderhoud, luchtdrukafvoer en technische installaties. Deze schachten dienen ook als onderdeel van de vluchtroute in geval van calamiteiten.
Bouwmethode
De tunnel is gebouwd met een speciaal voor dat doel vervaardigde machine, de Aurora, gebouwd in opdracht van de aannemers Bouygues/Koop. Bij het boren werd de slurryschildmethode toegepast. Hierbij wordt een bentonietslurry (water met bentoniet) gebruikt om aan het boorfront voldoende steundruk te geven. De bentonietslurry heeft een dubbele functie: het dient als steunvloeistof en als transportmedium voor de afvoer van de ontgraven grond.
Het boren van een tunnel kan niet zomaar plaatsvinden vanaf het maaiveld. De tunnelboormachine (TBM) moet eerst neergelaten en opgebouwd worden in een diepe schacht, de zogenaamde startschacht. Vanuit de startschacht boorde de TBM naar de andere schacht 7160 meter verderop, de zogenoemde ontvangstschacht.
Voor de Groene Harttunnel was een schat nodig van ruim tachtig meter lang, circa dertig meter breed en dertig meter diep. De grote diepte is nodig om ervoor te zorgen dat de machine voldoende grond boven zich heeft om veilig te kunnen boren. Ook voorkomt het dat de grote holle tunnelbuis in het grondwater omhoog komt drijven.
Grondwaterstromen zijn door de bouw van de tunnel nauwelijks verstoord, omdat het water in de dertig meter dikke bodemlaag steeds voldoende ruimte had en heeft om boven of onderlangs de tunnel langs te gaan.