Hoe gaan we om met sporen uit ons verleden? Hoe verbeelden we wat in woorden niet te vatten is? Hoe kan ik als architect een ander houvast en een impuls geven die recht doen aan de geest van de plek? De voormalige mijnbouwregio Borinage in het Belgische Wallonië is de geëigende locatie voor een ruimtelijk onderzoek over bewustwording en atmosfeer.

Gebieden zoals het Belgische de Borinage, de bakermat van de mijnbouw, fascineren me. Er heerst een melancholiek, die ons aanspreekt op onze gevoelswaarde en ons daardoor op een andere manier wijst op het verleden. Het vormt een andere, meer culturele basis voor een architectonisch ontwerp. Tijdens zo’n ontwerpproces ontstaat bij mij een abstract begrip voor de mentale desolaatheid van dit soort plekken, die ik wil overdragen aan een ander. Het is een gevoeligheid voor atmosfeer waarvan ik de toeschouwer deelgenoot wil maken door het te verbeelden in een ruimtelijke ervaring.

Ruim 1100 enorme bergen ontginningsafval liggen verspreid over de Waalse steenkoolbekkens als de enige fysieke nalatenschap van de mijnwerkers. Het werk van de kompels is letterlijk in rook opgegaan. De langeafstandswandeling GR412 leidt over de Waalse steenkoolbekkens. Een wandeling van 280 kilometer door postindustriële landschappen toont ons met weemoed de restanten van een ooit florerende industrie. Een deel van deze wandeling loopt over de Borinage. Op de top van één van de tientallen bergen ontginningsafval daalt de wandelaar af de geschiedenis in. Onder de oppervlakte van het puin ligt een schuilplaats voor de wandelaars met sobere voorzieningen en een overnachtingsplek. Het is een ondergronds gebouw waarin ik de eigenheid van streek heb willen uitdrukken in ruimte en atmosfeer. Ik heb het ondergrondse leven van de mijnwerker willen weergeven.

Boven: route van de langeafstandswandeling GR412 door Wallonië. Onder: langsdoorsnede van het ontworpen gebouw. (Beelden: Giel Sengers)

De terril en het bouwsysteem

De bergen ontginningsafval worden in de Waalse context terrils genoemd, vrij vertaald ‘zieke grond’. Ze bestaan voor het grootste deel uit restgesteente van de ontginning, quartz en lei in de Borinage, variërend van fijnzand tot klein split. Het soortelijk gewicht is enorm, circa 2600 kg/m3. Zo’n 15 tot 20 procent bestaat echter nog uit fijn steenkoolgruis. De aanwezigheid van ijzerpyriet in het steenkool, in combinatie met zuurstof en de druk van de berg zorgt voor opwarming. Bij ideale omstandigheden kan dit leiden tot ontbranding waarbij de temperatuur oploopt tot honderden graden Celcius. Het gesteente in de kern is daardoor vaak rood gesmoord. Sommige bergen zijn om die reden afgegraven voor gravel. Veel bergen hebben decennia lang gebrand en gerookt. Inmiddels zijn de branden gedoofd maar zijn de kernen van de bergen nog altijd warm.

Ondergronds bouwen in een terril is niet vanzelfsprekend. Aan de oppervlakte bestaan ze uit los puin. Steenkool neemt echter vocht op, waardoor onder de oppervlakte de grond vochtig, bijna kleiachtig, is. Door de tijd zijn de terrils ingeklonken, waardoor op diepte de grond sterk verdicht is. Met een trägerbohlwandsysteem wordt de contour van het gebouw op diepte gebracht als een grondkerende constructie. Het is een Duitse methode die gebruikt wordt als grondkering bij bouwputten. De methode wordt vooral gebruikt op plaatsen waar geen grondwater gekeerd hoeft te worden en de ruimte voor een talud ontbreekt. Voordat met de ontgraving van de bouwput wordt begonnen, worden de stalen profielen met een regelmatige tussenafstand door middel van heien of trillen ingebracht. Naarmate de ontgraving vordert, worden tussen de flenzen van de H-profielen houten balken aangebracht, waardoor de grondkerende constructie ontstaat. De kering zal nooit dieper reiken dan de ontgraving. Het grote voordeel van een trägerbohlwand is zijn flexibiliteit. De wand kan eenvoudig worden aangepast aan de omstandigheden en de situatie van de bouwput.

Ontwerpproces

In mijn afstuderen is het proces bepalend geweest. Langzaam is de Borinage tot me doorgedrongen. Een proces dat begon met zwarte houtskooltekeningen van ondergrondse ruimtelijkheid waarin ik zocht naar licht. De sfeer en materialiteit uit mijn tekeningen heb ik omgezet naar een ruimtelijk ontwerp door gebruik te maken van het trägerbohlwandsysteem. De stalen H-profielen worden met een regelmatige tussenafstand van 2100 millimeter de bodem ingedrukt, als directe verwijzing naar de dagproductie van de mijnbouw. De contour van de grondkering vormt een mal en is de voetprint van het gebouw. Daarin zijn volumes in hout gebouwd als contramallen. De weggenomen grond wordt vermengd met beton en teruggebracht in de mal. Als eerbetoon aan de mijnwerkers heb ik daarna mijn werk verbrand, waardoor de grimmige aard van het gebouw tevoorschijn komt. De geest van de plek en de zinloosheid van de mijnbouw zijn in beton gegoten en daardoor tastbaar geworden.

Verbrande huid van het gebouw. (Beeld: Giel Sengers)

Het proces heeft geresulteerd in een gebouw dat de sfeer ademt van het ondergrondse bestaan van de mijnwerker. Het is geen simulatie van een mijn en ook geen museum. Het is een gebouw dat gaat over atmosfeer, over de afwezigheid van licht. Het ligt ingebed in het Boreinse landschap, het komt eruit voort. Het gebouw biedt een ervaring, een diepere laag van betekenis aan een wandeling door ons verleden.