‘Geen bovengrond zonder ondergrond’: dat is volgens Dan Bekker, hoofd IBU Stadsingenieurs, de voornaamste reden om ondergronds bouwen als onderwerp te kiezen voor de eerste G23 Netwerkdag voor stadsingenieurs op 12 april aanstaande. Deze dag moet medewerkers van gemeentelijke ingenieursbureaus inspireren tot vernieuwing, slimmere oplossingen en het uitwisselen van kennis. Waarbij de bodem niet vergeten mag worden. 

“Te vaak denken ontwerpers vanaf het maaiveld. Tekenen ze een boom, dan stopt die op de grond, alsof hij geen wortels heeft. Maar de ondergrond is, voor welke gebiedsontwikkeling dan ook, van fundamenteel belang. En dat geldt voor alle stedelijke gebieden”, stelt Bekker. Dan Bekker is hoofd van IBU Stadsingenieurs, het ingenieursbureau van gemeente Utrecht, en voorvechter van het G23-netwerk. Deze verzameling van Nederlandse gemeenten – de grote vier (G4) plus negentien andere grote gemeenten – is een kleine tien jaar geleden opgezet om het uitwisselen van kennis te bevorderen. Nu is het tijd voor een nieuwe stap.

“Het begon zo’n tien jaar terug toen Ingenieursbureau Groningen op excursie kwam in Utrecht. Toen bleek hoeveel we gemeenschappelijk hebben; dat we tegen dezelfde problemen aanlopen. Het mooie is dat gemeenten heel makkelijk kennis kunnen uitwisselen, zonder last te hebben van patenten of octrooien. Alleen gebeurde dat nog niet. Daarom organiseerden we in Utrecht een open bijeenkomst, waar zeventien gemeenten op afkwamen. Sindsdien komt het netwerk elk jaar twee tot drie keer bij elkaar en is er een internetforum waar vrij actief gebruik van wordt gemaakt.”

“Maar dat is niet genoeg, want als gemeenten willen we slimmere dingen doen met minder mensen en dat betekent dat je werkwijzen moet aanpassen. Ingenieurs zijn echter lastig ervan te overtuigen het anders te doen. Een netwerk helpt daarbij, doordat je sneller een goed voorbeeld hebt. Maar als we eerlijk zijn: de vernieuwingen komen niet van ons, de zittende ‘grijze’ generatie. We moeten enthousiaste, jonge mensen mobiliseren om echt wat op gang te brengen. In de G4 is dat vormgegeven in creatieve ateliers, waarin we jonge mensen laten nadenken over een praktijkprobleem. Dat levert vaak originele oplossingen op en aan het einde hoor je altijd ‘waarom doen we dit niet vaker?’. Daarom breiden we deze aanpak uit van de G4 naar de G23. De netwerkdag op 12 april is daar een voorbeeld van, waarbij we dus niet – zoals gebruikelijk – directeuren uitnodigen, maar juist de medewerkers.”

 

Op uitwisseling

“We wisselen niet alleen kennis uit, maar ook personeel. Vorig jaar heb ik bijvoorbeeld twee dagen in Den Haag gezeten en mijn collega twee dagen hier in Utrecht. En binnenkort wisselt ons hoofd Ontwerp met dat van hun. Na afloop bespreek je dan de ‘verwonderpunten’’; wat valt ons op, wat doen wij of zij beter? Daar komen leuke dingen uit. Bovendien pak je naderhand sneller de telefoon als je ergens tegenaan loopt.”

Kleine ondergrondse projecten

Als eerste thema is gekozen voor ondergronds bouwen, want ‘geen bovengrond zonder ondergrond’, aldus Bekker. “Bij stedelijke ontwikkeling hebben alle ingenieursbureaus met de ondergrond te maken. Bij ondergronds bouwen denken mensen vaak aan de grote projecten, zoals de Noord/Zuidlijn en Spoorzone Delft, maar zulke dingen maak je slechts een paar keer in de honderd jaar. De overgrote deel van de jaarlijkse omzet bij gemeentelijke ingenieursbureaus komt uit kleine projecten. Als je daarbij wat slimmer en beter gebruik van de ondergrond maakt, levert dat dus heel veel op – wat betreft kosten en op het gebied van duurzaamheid.”

“Bovendien kunnen gemeenten op dit gebied van elkaar leren. In Woerden had het ingenieursbureau bijvoorbeeld problemen met de aanleg van bergbezinkbassins; grote ondergrondse betonnen bakken die overtollig hemelwater opvangen voordat het gestort wordt in open water. Die waren komen opdrijven. Dat vind ik dan zo jammer, want ze hadden gebruik kunnen maken van de kennis die wij net hadden opgedaan.”

“Met het netwerk willen we aansturen op het delen van kennis, ook nieuwe kennis. Zo heeft het IBU een paar jaar terug een speciaal stadsasfalt genaamd MODUS ontwikkeld, dat nu door steeds meer gemeenten wordt toegepast. Dat is ook de bedoeling; we hebben wel een octrooi op het asfalt, maar dat is juist om te voorkomen dat er een enkele marktpartij geld mee gaat verdienen. Dit laat ook zien dat innovaties niet het alleenrecht van marktpartijen zijn.”

Opleiden tot stadsingenieur

“Zowel de TU Delft als Universiteit Twente kijkt hoe het beroep van stadsingenieur opgenomen kan worden in de opleiding civiele techniek. In Delft kun je bijvoorbeeld een aantekening City Engineer bij je bachelor krijgen. In april ga ik met een collega uit Den Haag naar Twente om van studenten te horen hoe zij er invulling aan willen geven.”

Aandacht voor de burger

“Zeker binnen ons vakgebied van civiele techniek moet het niet alleen maar gaan om geld verdienen. ‘Civiel’ betekent niets anders dan ‘voor de burger’. Ingenieursbureaus moeten dus ook bij het bouwen meer meedenken met het publiek. Niet ‘ga even aan de kant, want wij gaan bouwen’, maar mensen juist erbij betrekken. Het IBU heeft dat bijvoorbeeld gedaan bij het plaatsen van het bergbezinkbassin aan de Maliebaan. Mensen hebben er hartstikke veel last van als zo’n bak in hun wijk wordt gebouwd. We hebben daarom extra aandacht besteed aan het informeren van omwonenden en toen de bak af was, mocht iedereen even naar binnen om een kijkje te nemen. Zulk soort dingen moeten we veel meer doen.”

“Het is dus niet voor niets dat de ondergrond centraal staat op de aankomende netwerkdag. Geotechniek is nu vaak een ondergeschoven kindje, maar je hebt het toch voor ieder bouwwerk nodig. Zeker in Nederland, waar we te maken hebben met een slappe bodem: je moet wel weten hoe je daarmee om moet gaan als je gaat bouwen.”