In Den Haag zijn vier grote transformatorstations van de RandstadRail en stadstrams ondergronds gebracht. De oorspronkelijke bovengrondse oplossingen stuitten in een aantal gevallen op flink protest van omwonenden. Architect Patrick Stork van ingenieursbureau Den Haag (IbDH) achteraf: “In eerste instantie is de ruimtelijke impact van de grotere transformatorstations, die we ook wel onderstations noemen, onderschat. Het bestemmingsplan liet toe dat plaatsing met een zogeheten kruimelontheffing wettelijk correct geregeld kon worden, maar de uitwerking paste in een aantal gevallen niet in het straatbeeld. Reacties van omwonenden hebben er mede toe geleid dat we samen met opdrachtgever HTM een oplossing hebben gevonden die beter is voor de stad.”

“Nutsgebouwen zie je natuurlijk overal, maar niet zo groot als deze”, zegt Patrick Stork. “Het grotere en vooral zwaardere trammaterieel vergt extra voedingspunten van het bovenleidingnet in de stad. De nieuwe onderstations die daarvoor nodig waren, beslaan al snel 25 tot 50 vierkante meter. Bij de aanleg van de RandstadRail zijn in Den Haag op circa tien plekken groene zeecontainers geplaatst. Op een aantal plaatsen is dat niet zo hinderlijk, maar voor vier onderstations hebben we een andere oplossing moeten bedenken. Daarvoor moesten we eerst met een loep de stad door. We moesten uiteraard locaties vinden zo dicht mogelijk bij knooppunten van de RandstadRail, die ook goed bereikbaar zijn voor onderhoudswerkzaamheden. Vanwege het elektromagnetisch veld dat ontstaat bij de omvorming van wisselstroom naar gelijkstroom, wat storingen kan geven op elektrische apparaten en draadloze datanetwerken, gold de aanvullende eis dat we op ten minste tien meter van woon- en verblijfsgebouwen moesten blijven. Dat betekent dus dat je dergelijke voorzieningen nooit in bestaande bouwwerken kunt opnemen.”

“Er waren bedenkingen bij elektrische installaties in een gebouw onder grondwaterniveau en bij de toegankelijkheid, ventilatie, veiligheid en bruikbaarheid. Daar hebben we goed naar geluisterd.”

Het idee om de onderstations ondergronds te brengen, werd niet overal enthousiast ontvangen. Het IbDH studeerde al langere tijd op ondergrondse bouwwerken voor dit soort onderstations. Patrick: “Dan zie je dat ondergronds bouwen bij velen onbekend is en tot een natuurlijke weerstand leidt. Er waren bedenkingen bij elektrische installaties in een gebouw onder grondwaterniveau en bij de toegankelijkheid, ventilatie, veiligheid en bruikbaarheid. Daar hebben we goed naar geluisterd. Samen met de mensen van HTM zijn we tot voor iedereen aanvaardbare oplossingen gekomen. Het eindresultaat is daar beter van geworden. Toegankelijkheid en daaraan gekoppeld veiligheid bij noodsituaties (vluchten) bleek uiteindelijk overigens de lastigste uitdaging. Daarnaast hadden we nog wat lastige randvoorwaarden, zoals het indien nodig binnen 24 uur kunnen vervangen van de acht ton zware transformatoren in de onderstations.”

Folly

Voor Patrick Stork lag er de uitdaging om de ‘noodzakelijke stiefkindjes van de stad’ liefst onmerkbaar op te nemen in het stedelijk weefsel. Aan de Koekamp bij het Malieveld koos hij voor de vlucht naar voren. Daar is het ondergrondse onderstation bekroond met een ‘folly’, een buitenmodel parkbank die bij nadere beschouwing het kantelbare toegangsluik blijkt te zijn.

Het verborgen onderstation aan de Koekamp. (Foto: IbDH)

Patrick: “Aan de Koekamp hebben we voor een volledig ondergrondse oplossing gekozen. Daarmee kwam wel de uitdaging om toegang en ventilatieopeningen zo goed mogelijk gecamoufleerd in het parklandschap op te nemen. Dat is gedaan door buitenproportioneel grote zitobjecten te plaatsen, die daarmee toegangsluiken van het onderstation vormen. De rugleuning van de enorme loungebank bevat een ventilatievoorziening. De constructie bestaat hier uit prefabelementen. De vier buitenwanden zijn ter plekke in elkaar gezet en stijf en waterdicht aan elkaar verbonden. Dit geheel is vervolgens door ontgraving van binnenuit op diepte gebracht, waarna de bouwkuip is voorzien van een vloer van onderwaterbeton. Daarop zijn kelderwanden, beganegrondvloer, binnenwanden en dak in het werk gestort om een geheel stijve constructie te krijgen.”

Kademuur

Bij de Conradkade werd besloten om een half verdiept onderstation aan te leggen: vanaf halteniveau gezien geheel ondergronds, maar vanaf de kade gezien toch deels bovengronds, opgenomen in de kademuur. Deze kademuur was recent geheel vervangen, en daardoor technisch gezien nog in optimale staat. Door de ligging kon hier een personentoegang worden gemaakt door een trap in het talud langs het onderstation tot vlak boven het waterniveau en een deur in de zijkant. Ook dat blijkt een oplossing met een extraatje. De trap in het talud maakt het mogelijk om hier in de toekomst wellicht ook een steigertje aan te leggen.

Onderstation weggewerkt in de Conradkade. (Foto: IbDH)

De totale constructie met kabelkelder ligt grotendeels onder het grondwaterniveau. Constructief is hier heel traditioneel een damwand rondom gemaakt, aansluitend op de bestaande damwand van de vrij nieuwe kademuur. Daarin is met onderwaterbeton een vloer gestort, waarna de kuip drooggemalen kon worden, en wanden en dak gestort konden worden. In dit dak zit een opening waarop als afdekkend luik een prefabbetonplaat is gelegd. Deze opening dient om zware componenten, zoals de transformator, in en uit het onderstation te kunnen hijsen. Het luik zit daarmee verborgen onder de maaiveldafwerking en dient alleen bij het wisselen van de trafo ‘opgegraven’ te worden. Een tweede, kleiner luik in het maaiveld is wel zichtbaar. Dit luik dient als vluchtweg voor onderhoudsmedewerkers.

Verblijfsgebied

Aan de Soestdijksekade worden op een locatie twee onderstations gerealiseerd. Hier ontstaat een nieuw stukje verblijfsgebied, doordat het dak aansluit op het aangrenzende maaiveld. Een natuurstenen bankje en traditioneel ogende balustrades rondom geven ook hier de stad méér dan puur de functionaliteit van het onderstation. Patrick Stork: “De Soestdijksekade heeft aan weerszijden bij de bruggen van de Escamplaan en de Loosduinsekade een oplopend maaiveld en tegelijkertijd een laag blijvende kade circa 0,5 meter boven het wateroppervlak. Op het hoogste punt is het niveauverschil tussen beide maaivelden circa 2,7 meter. Daartussenin zijn beide onderstations gerealiseerd met toegangen en ventilatieopeningen aan de waterzijde. De bestaande kademuur en brug dateren uit circa 1930 en zijn gefundeerd op houten palen. De bouwkuip moet echter vanwege de noodzakelijke kabelkelder wel onder grondwaterniveau komen. Dit is opgelost door de kelderbakken prefab en daarmee waterdicht uit te voeren en in zijn geheel in de lage kade te laten zakken.”

“Een natuurstenen bankje en traditioneel ogende balustrades rondom geven ook hier de stad méér dan puur de functionaliteit van het onderstation.”

De ondergrondse oplossingen waren uiteraard duurder dan de oorspronkelijke containers. Patrick: “Het gebouw eromheen wordt op deze manier weliswaar duurder, maar als percentage van de totale kosten valt dat eigenlijk wel weer mee. De techniek in de onderstations is verreweg het duurst. En we hebben er mooie oplossingen voor de stad mee verkregen. Ik denk dat dit soort oplossingen een goed begin kan zijn van het ondergronds brengen van meer functies die we niet willen zien. De ondergrondse restafvalcontainers rollen we nu immers ook al over de hele stad uit. In de praktijk bekijken we bij elk project in de openbare ruimte of een ondergrondse oplossing mogelijk is.”