Loading...

De Onderbreking

Duurzaamheid

Duurzaamheid

Energieneutraal voorbeeldproject voor de tunnelwereld

Den Haag Rotterdamsebaan

Nieuwe kennis naar de praktijk

Utrecht: win-win-winsituatie

Interview Ivana Pieters

Blog over duurzaamheid van tunnelprojecten

Den Haag, Tramtunnel

Flexival 2017

Zwemmen in een schuilkelder

Kennisbank

Duurzaamheid

Van een ondergrondse constructie die iets kost, naar een ondergrondse constructie die iets oplevert. Dat is in een notendop wat het COB voor ogen heeft bij het thema Duurzaamheid. Het inspiratiedocument Duurzaamheid (juni 2014) biedt een kader dat om verdere uitwerking in de praktijk vraagt. De Rotterdamsebaan was de eerste, wie neemt het stokje over? Hoe gaan we iedere tunnel in Nederland een beetje duurzamer maken?

Het veranderende energielandschap is binnen duurzaamheid een belangrijk element. Het gebruik van duurzame energievormen neemt toe, wat ook gevolgen heeft voor het gebruik van de ondergrond. Participanten van het COB spelen een rol in de transitie naar een duurzame omgeving. Het COB ziet het dan ook als taak om bij te dragen aan kennisontwikkeling op dit gebied. Wat zijn de kansen en risico’s?

Energieneutraal voorbeeldproject voor de tunnelwereld

“We zijn ook een gangmaker voor andere projecten. Als wij met bijvoorbeeld een andere kijk op tunnelverlichting energie kunnen besparen en dat ertoe leidt dat je in alle tunnels tien procent minder energie nodig hebt, is de CO2-doelstelling van Rijkswaterstaat al bijna gerealiseerd.” Hans Pos, namens Croonwolter&dros testmanager en ontwerper van De Groene Boog, verwacht dat het volledig energieneutrale project A16 Rotterdam veel verder zal reiken dan de verbinding tussen de A20 en de A13. “In dit project laten we ons leiden door wat mogelijk is”, vult Stefan van der Voorn, contractmanager bij Rijkswaterstaat, aan. “Dit project kan een vliegwiel zijn voor verdere energiebesparing bij projecten van Rijkswaterstaat.”

Begin 2019 starten de eerste zichtbare werkzaamheden voor het project A16 Rotterdam. De elf kilometer lange weg verbindt de A13 bij Rotterdam Airport met de A16 bij het Terbregseplein (aansluiting A20). De route passeert met een twee kilometer lange half verdiepte landtunnel het Lage Bergse Bos. Het project wordt uitgevoerd door combinatie De Groene Boog, bestaande uit Besix, Dura Vermeer, Van Oord, John Laing, Rebel en TBI (Mobilis, Croonwolter&dros). Het contract met De Groene Boog omvat het ontwerp, de bouw en de financiering van het project en twintig jaar onderhoud.

Rijkswaterstaat selecteerde bij de aanbesteding onder andere op duurzaamheid, risicobeheersing en beperken (bouw)hinder. De Groene Boog vertaalde het eerste criterium naar energieneutraal op basis van een concept voor de energieneutrale tunnel van Croonwolter&dros. Ook werd er gebruikgemaakt van de Maatregelencatalogus voor energiereductie in tunnels (groeiboek) van het COB.

De nieuwe route gaat onder meer langs de Rotterdamse wijken Hillegersberg, Schiebroek en Ommoord, en door de gemeente Lansingerland. Het nieuwe wegdeel ontlast de A13, de A20 en de omliggende wegen. De weg gaat in 2024 open voor het verkeer. (Beeld: Rijkswaterstaat/De Groene Boog)

Scala aan maatregelen

Hergebruik van warmte, voeding voor installaties op gelijkspanning, reflecterende coating, lichtgekleurd asfalt. Er worden allerlei maatregelen getroffen om de tunnel, maar ook de rest van het tracé, twintig jaar lang energieneutraal te laten functioneren. Stap een is het zo veel mogelijk beperken van energieverbruik. De resterende benodigde energie wordt op locatie duurzaam opgewekt. Stefan van der Voorn: “Je hebt altijd energie nodig. We zoeken naar optimalisatie. Hoe minder we hoeven op te wekken, hoe beter.” Hans Pos: “Het begint met kritisch kijken. Waar kun je het energieverbruik verminderen en wat moet je uiteindelijk met opwekking compenseren? Dat proces begint al met een heel hoge isolatiewaarde voor technische ruimtes. En bij elke installatie kijken we wat we kunnen winnen. Vandaar ook de gelijkspanningsvoeding voor de installaties. Het is vanuit energieoogpunt gewoon dom om overal omzetkastjes tussen te plaatsen.”

Maatschappelijke verantwoordelijkheid

Twintig jaar lang 24/7 brandende tunnelverlichting. Het ligt voor de hand dat het aanpakken van de verlichting het meeste rendement oplevert. De Groene Boog wil daarin verder gaan dan toepassing van de meest duurzame systemen. Samen met Rijkswaterstaat en het COB (zie kader) wil men ook kijken naar het niveau van de verlichting. Stefan van der Voorn: “Kun je  met andere toepassingen dezelfde belevingskwaliteit bereiken als met wat normaal gesproken wordt voorgeschreven? Johan Naber van Rijkswaterstaat doet daar samen met het Centre d’Etudes des Tunnels (CETU) en de Universiteit van Leuven onderzoek naar. Als je de voordelen kunt aantonen, biedt de Landelijke Tunnelstandaard ruimte voor dit soort alternatieven.”

‘Het hoort bij onze maatschappelijke verantwoordelijkheid dat we daarover nadenken.’

Opdrachtgever en opdrachtnemer, samenwerkend vanuit een kantoorlocatie in Brainpark aan de A16 bij Rotterdam, kijken niet alleen op objectniveau naar energie, maar ook op systeemniveau. Hans Pos: “De energieopslag is bijvoorbeeld strikt gezien geen optimalisatie vanuit de scope van de tunnel, maar we kunnen daarin wellicht wel een voortrekkersrol spelen.” Stefan van der Voorn: “We willen het energienet niet onnodig belasten en willen dus liever niet terugleveren. Het hoort bij onze maatschappelijke verantwoordelijkheid dat we daarover nadenken.” Die brede kijk op het energievraagstuk neemt niet weg dat de vervolgeffecten van het project A16 Rotterdam vooral op het gebied van tunnels zullen liggen. “Als het gebruik van gelijkstroom de efficiency oplevert die wij verwachten, zal wisselspanning bij volgende tunnelprojecten niet meer worden aangeboden”, verwacht Hans Pos.

Energie voor samenwerking

Het realiseren van een energieneutrale tunnel is een kerndoel van het project. Dat kerndoel geeft een gezamenlijke focus die een oplossingsgerichte samenwerking versterkt. Hans Pos: “Je kunt veel op papier zetten, en dat hebben we ook gedaan, maar er komt een moment dat je het gewoon moet gaan doen.” “Dat is de hele filosofie achter dit project”, vult Stefan van der Voorn aan. “We beschouwen het als een uitdaging om met dit project te laten zien dat het beoogde resultaat haalbaar is. Die focus dwingt tot samenwerking. Je versterkt elkaar. Die instelling helpt ook op andere terreinen om het samen beter te doen. Samenwerking kan nooit een doel op zich zijn. En samenwerking betekent niet dat je het altijd maar met elkaar eens moet zijn. Dat is een misverstand. Samenwerken betekent dat je duidelijk naar elkaar bent en dat je ook het conflict durft aan te gaan. Dat we in één gebouw zitten, helpt daarbij. Je kunt een conflict niet in een overlegje wegmoffelen, je komt elkaar elk moment van de dag weer tegen.”

Een deel van de nieuwe weg zal door het Terbregseveld aangelegd worden. Hier zijn de contouren van de tunneltoerit al zichtbaar. (Foto: Rijkswaterstaat)

Tunneltweeling

De Groene Boog gebruikt een digitale tunneltweeling (genaamd TWIN-16 ) om ontwerp, aanleg en beheer te optimaliseren. Hans Pos: “Die tunneltweeling is gebaseerd op drie pijlers. De databases met 3D-modellen vormen het hart van het project. Informatie is de tweede pijler. Stakeholders kunnen inloggen ten behoeve van bijvoorbeeld vergunningaanvragen of hinderbeperkende maatregelen. De derde pijler is het virtual reality (VR)-gedeelte, dat bijvoorbeeld kan worden ingezet voor verificatie, validatie en training van hulpdiensten. We kunnen virtueel spelen met scenario’s. Zo kunnen we VR in principe ook gebruiken om met gebruikerspanels onderzoek te doen naar lichtbeleving.”

Met behulp van het digitale model wil De Groene Boog zo goed mogelijk voorspellen wat straks het werkelijke energieverbruik van de tunnel zal zijn. Dat is immers de basis voor de opwekopgave. Makkelijk is dat overigens niet, blijkt uit de woorden van Hans Pos: “We hebben te maken met heel veel variabelen. We verrichten nu al metingen bij bestaande tunnels om op basis daarvan een referentie te maken voor de vermogensbalans. Van daaruit kunnen we de maatregelen die we willen nemen, doorrekenen, en bepalen hoeveel zonnepanelen we straks nodig hebben.”

Rotterdamsebaan

De gemeente Den Haag werkt aan een nieuwe verbindingsweg tussen knooppunt Ypenburg (A4/A13) en de Centrumring: de Rotterdamsebaan. Deze weg wordt 3,8 kilometer lang en doorkruist het grondgebied van de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Rijswijk en Den Haag. Onderdeel is een geboorde tunnel, de Victory Boogie Woogietunnel, die tweemaal twee rijstroken krijgt en ongeveer 1.860 meter lang wordt.

De Utrechtsebaan is de belangrijkste toegangsweg van Den Haag. Van het verkeer dat de stad dagelijks in- en uitgaat, rijdt veertig procent via deze weg. Dat leidt elke dag tot files die zich vaak uitbreiden naar de omringende snelwegen zoals de A12, A13 en A4. De aangrenzende woonwijken hebben veel last van sluipverkeer. De nieuwe Rotterdamsebaan zorgt ervoor dat de druk op de Utrechtsebaan afneemt en het verkeer zich beter verdeelt. Met de nieuwe weg krijgt het verkeer van en naar Rotterdam, Delft en Ypenburg een alternatief.

Tracé

De Rotterdamsebaan loopt van het knooppunt Ypenburg richting het noorden, kruist met een tunnel het groene gebied de Vlietzone, het water de Vliet en de woonwijk Voorburg-West en komt uit op de Binckhorstlaan. Daar sluit de nieuwe weg bij de Neherkade direct aan op de Centrumring. Het tracé komt grotendeels overeen met de ligging van de tweede toegangsweg die architect Dudok – die na de Tweede Wereldoorlog de leiding had over de wederopbouw van Den Haag – in zijn plannen had opgenomen. De inpassing van de nieuwe verbindingsweg was een complexe opgave. Uiteindelijk heeft de inspraakprocedure ertoe geleid dat het ondergrondse deel van het tracé driehonderd meter langer wordt dan technisch gezien noodzakelijk is. Met de verlenging is de gemeente tegemoetgekomen aan bezwaren van omwonenden en andere belanghebbenden.

Artist impression van de skyline vanuit de Vlietzone. Op het dak van de tunnel zijn de geplande zonnepanelen te zien. (Beeld: Rotterdamsebaan)

Victory Boogie Woogietunnel

De tunnel, die Victory Boogie Woogietunnel gaat heten, wordt geboord. Hiervoor maakt de aannemerscombinatie (zie rechts) gebruik van de tunnelboormachine waarmee eerder de Sluiskiltunnel is aangelegd. De tunnel wordt 1.860 meter lang, waarbij het geboorde deel een lengte heeft van circa 1.640 meter. De twee tunnelbuizen komen op ongeveer vier meter van elkaar te liggen, krijgen een diameter van ruim tien meter en liggen op het diepste punt 29 meter onder de grond. In iedere buis komen twee rijstroken en tussen de buizen komt om de 250 meter een dwarsverbinding.

Duurzame infrastructuur

De Rotterdamsebaan moet hét voorbeeld van duurzame infrastructuur in Nederland worden. De Combinatie Rotterdamsebaan heeft in het ontwerp veel aandacht besteed aan de verschillende duurzaamheidsaspecten, zoals vormgeving en inpassing in het landschap, luchtkwaliteit en energiegebruik. Een goed voorbeeld is de tunnelmond in de Vlietzone. Hier komt over het dienstgebouw en de tunnelmond een grote overkapping die bestaat uit zonnepanelen. De elektriciteit die hiermee wordt opgewekt, zal worden gebruikt in het dienstgebouw. Een ander voorbeeld is het fine dust reduction system, een systeem waarmee vijftig procent van het fijnstof bij de tunnelmonden wordt afgevangen.

Planning

In 2014 is de gemeente gestart met het bouwrijp maken van het tracé en in 2015 is een aantal wegen in de Binckhorst opnieuw ingericht. Eind 2015 is de aanbesteding afgerond en is de opdracht, in de vorm van een design-, built- en maintenancecontract met vijftien jaar onderhoud, gegund aan de Combinatie Rotterdamsebaan. In 2016 heeft de gemeente de laatste voorbereidende werkzaamheden afgerond, waarna de aannemerscombinatie van start kon met het inrichten van de werkterreinen in de Vlietzone, de Binckhorst en het knooppunt Ypenburg.

Het boren van de Victory Boogie Woogietunnel startte half januari 2018. Vanuit de startschacht op het werkterrein in de Vlietzone graaft tunnelboormachine Catharina-Amalia haar weg naar de Binckhorst. Naar verwachting komt ze daar in juni 2018 aan. Vervolgens wordt de machine gedemonteerd en teruggebracht naar de Vlietzone. Nadat de machine weer is opgebouwd, start het boren van de tweede tunnelbuis. De opening van de Rotterdamsebaan staat gepland voor 1 juli 2020.

Voorbereiding

Om onder de grond alvast ruimte te maken voor de tunnel van de Rotterdamsebaan, moesten grote stroomkabels verlegd worden. De gemeente Den Haag maakte een video over deze indrukwekkende klus. Over een afstand van liefst een kilometer werd tot vijfendertig meter diep onder de grond een gestuurde boring uitgevoerd.

Hoe zorg je ervoor dat nieuwe kennis landt in de praktijk?

Vanuit het bedrijfsleven was prof. dr. ir. Timo Heimovaara intensief betrokken bij het TRIASonderzoek naar in-situ bodemsaneringstechnieken. Inmiddels is hij hoogleraar Geo-environmental Engineering aan de TU Delft en onderzoekt hij hoe natuurlijke processen actief kunnen worden ingezet voor het oplossen van geotechnische en civieltechnische vraagstukken. Een gesprek over zijn ervaringen en plannen met kennisontwikkeling en markttoepassing.

“Ik geloof niet dat er een standaardaanpak is die garandeert dat nieuw ontwikkelde kennis en technologie ook daadwerkelijk wordt toegepast”, stelt Heimovaara. “Een succesvolle stap van kennis naar markttoepassing vraagt in ieder geval de betrokkenheid van verschillende disciplines, zoals technici, bedrijfskundigen en mensen met marktkennis. Daarnaast zijn er probleembezitters nodig. Verder is het belangrijk dat de juiste persoon op het juiste moment zijn verantwoordelijkheid neemt. Los daarvan zijn er algemene factoren. Hoe worden projecten bijvoorbeeld aanbesteed? Als dat gebeurt via dichtgespijkerde bestekken is er weinig stimulans voor aanbiedende partijen om met slimme oplossingen te komen. En dat geldt ook als opdrachtgevers aanbiedingen uitsluitend op prijs beoordelen of alleen bewezen technieken accepteren. Een andere belangrijke factor is de cultuur binnen organisaties. Investeren ze in kennisontwikkeling om de eigen concurrentiekracht te vergroten en nieuwe markten te ontwikkelen of denkt het management ‘onze aanpak werkt al jaren goed, dus waarom zouden we het anders gaan doen’?”

In-situ technieken

Na zijn promotieonderzoek en een postdocfunctie ging Heimovaara werken bij ingenieursbureau IWACO. Als milieuconsultant hield hij zich daar vooral bezig met in-situ bodemsaneringen en bodembeleid. Heimovaara: “De aanpak van bodemverontreinigingen stond in die tijd volop in de belangstelling. Vrij snel na de sanering van de woonwijk in Lekkerkerk werd duidelijk dat het volledig verwijderen van alle verontreinigingen niet haalbaar was en dat met biologische in-situ technieken ook goede resultaten mogelijk waren.”

“Toen we met in-situ saneringen begonnen, werd er in eerste instantie geen onderzoek gedaan naar de werking van deze technieken en de onderliggende processen. Na verloop van tijd kwamen allerlei kennisleemten in beeld en startte het TRIAS-onderzoeksprogramma, waarbinnen SKB, NWO en Delft Cluster samenwerkten met marktpartijen. Het programma telde twaalf vraaggestuurde onderzoeksprojecten, die grotendeels door PhD-studenten en postdocs werden uitgevoerd. Zelf heb ik toentertijd vanuit het ingenieursbureau, en later als expert bij een bodemsaneerder, vier of vijf van die promotieonderzoeken begeleid. Een belangrijke uitkomst was dat de theorie en de resultaten in het laboratorium vaak niet overeenkomen met de resultaten in het veld, en dat je voor goede praktijkresultaten al metend en monitorend je saneringssysteem moet ontwerpen en dimensioneren. Een uitkomst die volgens mij voor veel ingrepen in de bodem geldt.”

Praktijkrelevantie

“De TRIAS-onderzoeken waren op een aantal punten zeer succesvol. Door de betrokkenheid van bedrijven bij het onderzoek was er voortdurend oog voor de praktijkrelevantie. Het onderzoek leverde waardevolle inzichten op voor marktpartijen en maakte duidelijk wat wel en niet belangrijk was. Daarnaast kregen de betrokken bedrijven zicht op goede onderzoekers. Dat vonden we waardevol, want ons idee was dat een deel van de PhD-studenten na afloop in dienst zou treden bij de betrokken bedrijven. Op die manier zou de nieuwe hoogwaardige kennis daar een plek krijgen. Dat bleek niet zo te gaan. De meeste PhD-studenten waren buitenlanders en vertrokken na hun promotie weer.”

“Naar aanleiding van die ervaring ben ik gaan nadenken over de optimale opzet van vraaggestuurde onderzoeksprogramma’s. Volgens mij is dat een opzet waarbij wetenschap en marktpartijen samenwerken, onder meer om te zorgen dat de uitkomsten van theoretisch en fundamenteel onderzoek worden vertaald naar de bedrijfspraktijk. Verder zou het volgens mij ideaal zijn om de PhD-studenten die het onderzoek uitvoeren een vijfjarig contract te geven, waarbij ze vier jaar onderzoek doen en vervolgens een jaar bij een van de bedrijven werken om de nieuw ontwikkelde kennis in de praktijk toe te passen. Tot nu toe is het me niet gelukt om een onderzoeksprogramma op deze manier vorm te geven.”

Van 1995 tot 2015 is er vanuit SKB onderzoek gedaan naar bodem en ondergrond. De resultaten van het programma zijn te vinden in een uitgebreid online eindverslag. (Beeld: www.skbodem.nl)

Bodembacteriën

Na ruim tien jaar in het bedrijfsleven te hebben gewerkt, keerde Heimovaara in 2007 terug naar de academische wereld. In dat jaar begint hij als universitair hoofddocent Duurzame bodemsysteemdiensten bij de afdeling Geo-Engineering van de TU Delft, vijf jaar later wordt hij daar hoogleraar. “In 2011 zijn we gestart met het zogeheten BioGeoCivil-onderzoeksprogramma met ondersteuning vanuit STW. Binnen dit programma onderzoeken we onder meer hoe we bodembacteriën gericht kunnen inzetten voor het oplossen van geotechnische en civieltechnische vraagstukken. De bekendste techniek is waarschijnlijk biogrout, een techniek om zandige bodems te verstevigen. Daarnaast kijken we naar allerlei andere processen en technieken. We bestuderen bijvoorbeeld hoe we met micro-organismen de corrosie van stalen elementen in de bodem kunnen minimaliseren, doen onderzoek naar het verduurzamen van vuilstortplaatsen en onderzoeken hoe we biofilms kunnen gebruiken om de aantasting van hout te voorkomen.”

“Binnen BioGeoCivil werken we samen met allerlei andere kennispartijen. Bij de start van het onderzoeksprogramma was mijn hoofddoel om de verschillende ‘werelden’ bij elkaar te brengen en samen een nieuw onderzoeksdomein te ontwikkelen. Eventuele praktijktoepassingen stonden nog laag op mijn prioriteitenlijstje. Toen ik vorig jaar door verschillende marktpartijen werd benaderd met vragen over het minder doorlatend maken van zandpakketten, was ik dan ook aangenaam verrast. Heijmans en Movares vroegen bijvoorbeeld of we een zandlaag onder een dijk minder permeabel kunnen maken en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard of we de bodem van een zwemplas waterdichter kunnen maken, zodat de waterkwaliteit op de lange duur kan worden gewaarborgd. En ook Tauw en de gemeente Rotterdam klopten met vergelijkbare vragen bij ons aan.”

Lees meer over de Waterontspanner (zie kader hiernaast) in het artikel Slimme oplossing voor instabiele rivierdijk van Heijmans en De oplossing voor de beperking van wateroverlast van Movares. (Beeld: via movares.nl)

Ondoorlatende laag

“Ik vind het een positieve ontwikkeling dat deze organisaties bereid zijn om zelf in kennisontwikkeling te investeren, dat ze inzien dat de innovaties die wij ontwikkelen passen bij hun ambities. Het lastige met nieuwe technologie is vaak dat marktpartijen haar pas willen toepassen als ze zich bewezen heeft in de praktijk. Als je dit combineert met het gegeven dat onderzoekers in het laboratorium heel moeilijk kunnen bepalen hoe je een nieuwe technologie in het veld moet dimensioneren, heb je een klassiek kip-of-eiprobleem. Daarom ben ik blij dat Heijmans, Movares en Waterschap Rivierenland willen meedoen aan een pilot (zie kader).”

“Nu ik weet dat er bedrijven en organisaties zijn die zelf willen investeren in kennisontwikkeling, probeer ik samen met bedrijven zoals Tauw en het ministerie van Infrastructuur en Milieu een groter onderzoeksproject van de grond te krijgen. Als we alle budgetten bij elkaar leggen, moet het met een bijdrage van twintig tot vijfentwintig procent van de overheid lukken om de ontwikkelde kennis generiek toepasbaar te maken, projectoverschrijdend, precompetitief onderzoek te doen en bijvoorbeeld alle meetdata met elkaar te delen. Verder wil ik proberen om binnen KIBO, het Kennis- en Innovatieprogramma Bodem en Ondergrond van het ministerie van IenM, een businesscase in-situ permeabiliteitsbeïnvloeding onder te brengen. Via al deze sporen moet het lukken om de nieuwe kennis straks echt te laten landen.”

Win-win-winsituatie

Door een strategische keuze te maken voor grondwaterwinlocaties, pakt de provincie niet alleen de drinkwateropgave aan, maar verruimt ze ook de mogelijkheden voor warmte-koudeopslag (WKO) en ander ondergronds ruimtegebruik in stedelijk gebied.

“In de provincie Utrecht hebben we ongeveer dertig locaties waar grondwater wordt gewonnen voor de drinkwaterproductie”, vertelt René van Elswijk, programmamanager Grondwater bij de provincie Utrecht. “De productiecapaciteit van deze winlocaties is niet groot genoeg om in de verwachte drinkwatervraag van 2040 te voorzien. Daarom hebben we in kaart gebracht waar we binnen de provincie geschikte grondwatervoorraden hebben. Dat bleek op veel plaatsen het geval te zijn. Vervolgens hebben we bekeken welke gebieden het meest geschikt zijn voor nieuwe winningen. Daarbij hebben we niet alleen gekeken naar de invloed van de grondwateronttrekking op de omgeving, maar ook naar de invloed van de omgeving op een eventuele winlocatie.”

Er is gekozen voor locaties buiten (toekomstig) stedelijke gebied, waar winning uit diepere lagen – het tweede of derde watervoerende pakket – kan plaatsvinden. Ook drinkwaterbedrijf Vitens gaf aan dat zij vanwege mogelijke bedreigingen en belemmeringen in stedelijk gebied daar geen nieuwe winningen wil starten. Van Elswijk: “De keuze voor de diepere lagen hebben we gemaakt, omdat de grondwateronttrekking dan minder effect heeft op natuur en bestaande bebouwing. We willen geen verdroging en ook niet dat door een eventuele grondwaterverlaging paalrot aan houten funderingspalen gaat optreden. Onze keuze voor winlocaties buiten de stedelijke gebieden vloeit daarnaast voort uit de behoefte om zo veel mogelijk kansen te bieden voor WKO. Immers juist in binnenstedelijk gebied en op toekomstige ontwikkellocaties zijn dit soort bodemenergiesystemen een geschikte optie om aan milieu-eisen te voldoen.”

Kaart met de strategische grondwatervoorraad zoals opgenomen in de kadernota Ondergrond. (Beeld: provincie Utrecht)

Mogelijkheden verruimd

Collega Marian van Asten van het team Bodem en Milieu vervolgt: “Door het benoemen van de strategische grondwatervoorraden is nu ook duidelijk welke gebieden niet in aanmerking komen voor drinkwaterwinning. In deze gebieden hebben we de mogelijkheden voor WKO verruimd. Zo is WKO hier voortaan in alle watervoerende pakketten toegestaan, terwijl we voorheen een sterke voorkeur hadden voor het ondiepe pakket. Bijkomend voordeel van het toestaan van WKO in de diepere pakketten, is dat er minder snel conflicten ontstaan met ander ondergronds gebruik van het ondiepe watervoerende pakket, zoals parkeerkelders. Vooral in gebieden waar veel WKO-systemen zijn of worden verwacht is de verruiming aantrekkelijk. Een goed voorbeeld is de Utrechtse Uithof. Hier kunnen kleine WKO-systemen gebruik maken van het eerste watervoerende pakket en nieuwe, grote systemen van het tweede. Op die manier wordt voorkomen dat nabijgelegen WKO-systemen elkaar negatief beïnvloeden.”

Planologische bescherming

“De geschikte gebieden voor nieuwe drinkwaterwinningen hebben we in onze Kadernota Ondergrond benoemd tot strategische grondwatervoorraden”, legt Van Asten. “Deze gebieden geven wij een planologische bescherming. Dat betekent dat we hier ruimtelijke ontwikkelingen uitsluiten die een toekomstige drinkwaterwinning belemmeren. Aangezien de effecten van WKO in het eerste watervoerende pakket op de onderliggende watervoerende pakketten miniem zijn, staan we ondiepe WKO-systemen wel toe. Bijkomende reden is dat we het ongewenst vinden als in deze gebieden helemaal geen WKO mogelijk zou zijn. In de gebieden rond de bestaande drinkwaterwinlocaties is WKO in principe niet toegestaan.”

Schematische dwarsdoorsnede met de functies in de ondergrond. (Beeld: provincie Utrecht)

'Mensen kwamen naar mij toe om te netwerken in plaats van andersom'

Onder de juiste omstandigheden kan ondergronds bouwen een bijdrage leveren aan energiebesparing. Dat is de conclusie van Ivana Pieters’ onderzoek. Ze won er de Schreudersstudieprijs mee in de categorie Techniek. De belangstelling van vakgenoten is groot.

Met haar afstudeerscriptie Subsurface construction from an energy point of view heeft Ivana Pieters de Schreudersstudieprijs in de categorie Techniek gewonnen. “Bij bovengronds bouwen is het vanzelfsprekend dat we naar energiebesparing kijken, maar bij ondergronds bouwen is dat veel minder”, aldus Ivana tijdens de prijsuitreiking tijdens het COB-congres in Harderwijk. “Dat is bijzonder, omdat de ondergrond vanwege de stabiele temperatuur juist een bufferfunctie zou kunnen vervullen. Uit mijn onderzoek blijkt dat in de vergelijking tussen bovengronds en ondergronds bouwen er bij ondergronds bouwen al binnen vijf jaar een besparing optreedt.”

Ivana onderzocht energieverlies door warmteafdracht aan de omgeving voor boven- en ondergrondse bouwwerken bij verschillende temperaturen, bij verschillende diepten en met gebruikmaking van verschillende bouwmaterialen, over een periode van vijf jaar. Ivana: “Mijn onderzoek heb ik uitgevoerd bij Deltares. Dat is zeer goed verlopen. Ik denk dat eigenlijk alle studenten bij een bedrijf zouden moeten afstuderen. Dat komt de toepasbaarheid en de kwaliteit van het onderzoek ten goede.”

Uit de reactie van de jury en de bezoekers van het congres blijkt dat Ivana een relevant en actueel thema heeft gekozen. Haar onderzoek toont aan dat het onder specifieke omstandigheden mogelijk is om al binnen vijf jaar energie te besparen. Zij concludeert dat ondergronds bouwen in bepaalde omstandigheden een bijdrage kan leveren aan energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot. De belangstelling van vakgenoten was groot. Ivana: “Het winnen van de prijs leidde tijdens het COB-congres al meteen tot reacties. Mensen kwamen naar mij toe om te netwerken in plaats van andersom. Dat vond ik wel bijzonder. Ook via bijvoorbeeld LinkedIn heb ik leuke reacties ontvangen: mensen die trots waren op mij en mijn werk. Ik kreeg zelfs ter plekke een baan aangeboden.”

Die potentiële werkgever viste achter het net. Ivana is tevreden met haar huidige baan als technisch trainee bij netbeheerder Alliander, waar zij het komende jaar aan opdrachten werkt op het gebied van asset management en innovatie. “Het onderwerp van mijn scriptie komt deels in mijn huidige werk terug. Ik ben nu op een andere manier met de ondergrond bezig. Niet met gebouwen, maar met kabels en leidingen. Ik werk aan gasinnovaties bij vervanging, en dat heeft wel weer raakvlakken met beleidsterreinen va het COB.”

Anders dan anderen

“De aanleiding voor mijn onderzoek was de vraag of de ondergrond vanwege de vrij constante temperatuur als buffer kan werken. Omdat de ondergrond in mijn opleiding niet werd behandeld, was dit geen voor de hand liggend onderwerp. Het was een bewuste keuze om iets geheel anders te doen. Ik had mijn master gedaan op het gebied van sustainable development en energy and resources. De energiecomponent van ondergronds bouwen was dus wel een logisch gevolg van eerdere stappen in mijn studie.”

Blog over duurzaamheid van tunnelprojecten

Darinde Gijzel, winnaar Schreudersstudieprijs 2014 in de categorie Conceptueel, heeft op 3 februari jl. een nieuw weblog gelanceerd. Op www.tunnelvisions.eu schrijft ze over duurzaamheidsaspecten binnen tunnelprojecten en presenteert ze visies van experts. Ook andere onderwerpen op het gebied van duurzaamheid, infrastructuur en planologie komen aan bod.

Gepubliceerd op: 6 februari 2015

Voor haar afstuderen aan de TU Delft deed Darinde Gijzel onderzoek naar het specificeren van duurzaamheid bij EMVI-aanbestedingen van wegtunnelprojecten. Dit resulteerde onder meer in een overzicht van drieëndertig duurzaamheidscriteria die opdrachtgevers kunnen gebruiken om de duurzaamheid van een tunnelproject specifiek en meetbaar te maken. De grote belangstelling en waardering voor de afstudeerscriptie hebben Darinde geïnspireerd om een blog te beginnen.

Darinde: “Ik heb tijdens mijn afstudeerproject heel veel mensen geïnterviewd en projecten bestudeerd. Het is jammer dat ik in mijn scriptie niet op alles even diep kon ingaan. Nu er best veel interesse voor mijn scriptie is, lijkt het me leuk in een blog de verschillende rollen en visies op het gebied van duurzame ontwikkeling in deze sector verder uit te diepen. Ik wil de best practices die ik in verschillende projecten ben tegengekomen, delen en daarmee anderen inspireren.”

Sinds 3 februari 2015 is het blog online te vinden op www.tunnelvisions.eu. Er zijn onder andere artikelen die ingaan op de duurzaamheid van praktijkprojecten. Zo beschrijft Darinde de duurzaamheidsmaatregelen bij het project A2 Maastricht en vertelt ze over de ‘Stormwater Management And Road Tunnel’ in Kuala Lumpur. Het blog bevat daarnaast interviews met experts, zoals William van Niekerk, directeur Corporate Social Responsibility bij BAM en ambassadeur van het COB.

Tramtunnel

In 1996 begon de bouw van het Souterrain in Den Haag, een 1.250 meter lange tramtunnel onder de Grote Marktstraat met twee ondergrondse stations en tussen deze stations een 600 meter lange ondergrondse parkeergarage met twee parkeerlagen.

Volgens de planning zou het project voor het jaar 2000 gereed zijn, maar door grondwaterproblemen kwam het project ruim twee jaar stil te liggen en moest voor de afbouw gebruik worden gemaakt van een speciale bouwtechniek. Uiteindelijk werd de tunnel in 2004 in gebruik genomen. Sindsdien wordt hij gebruikt voor diverse tramlijnen en inmiddels ook door RandstadRail.

Tot de bouw van de tunnel werd besloten om het bovengrondse winkelgebied leefbaar en goed bereikbaar te houden. Dat is ondanks de problemen tijdens de bouw uitstekend gelukt. De drukke Grote Marktstraat is veranderd in een rustige, chique winkelpromenade en de ruim dertig trams per uur vervoeren dagelijks duizenden bezoekers naar en van de ondergrondse stations Spui en Grote Markt.

De Haagse tramtunnel, ook wel het Souterrain genoemd. (Foto: Flickr/Marco Raaphorst)

Bouwmethode

De tunnel is gebouwd volgens de wanden-dakmethode om overlast op maaiveld zoveel mogelijk te voorkomen. De wanden bestaan voor het grootste deel uit diepwanden en alleen ter plaatse van de Kalverstraat uit stalen damwanden. Op de meeste plaatsen staan de wanden zeer dicht op de bestaande bebouwing, die voornamelijk op staal is gefundeerd.

Over het grootste deel van het tracé bedraagt de afstand tussen de wanden ongeveer 15 meter, alleen ter plaatse van de stations staan ze circa 25 meter uit elkaar. Op de plekken waar de tunnel 15 meter breed is, is de bouwput aan de onderzijde voorzien van een groutboog, die bestaat uit korte elkaar overlappende jetgroutkolommen in de vorm van een afgevlakte ‘U’. De jetgroutboog is aangebracht om het grondwater tegen te houden en om de verticale kracht op de bouwputbodem door de opwaartse waterdruk naar de wanden te leiden. Verder functioneerde de boog tijdens de bouw als stempel voor de wanden. Hiervoor was het nodig dat de boog zo hoog mogelijk in de grond zat, zodat de stempelfunctie optimaal was en de wanden zo min mogelijk zouden vervormen. Het toepassen van een groutboog voor deze drie functies was nieuw.

Ter plaatse van de stations was de bouwput te breed om een groutboog te kunnen toepassen. Hier is gebruik gemaakt van een gellaag voor de verticale stabiliteit en het tegenhouden van het grondwater. Deze oplossing was in ons land al diverse keren met succes toegepast.

Groutboog niet waterdicht

De bouw startte in maart 1996. Het aanbrengen van de diepwanden en damwanden verliep vrijwel zonder verzakkingen van de nabijgelegen bebouwing. Toen het dak was aangebracht werd begonnen met het ontgraven van de bouwput. In februari 1998 was de bouwput op de Kalvermarkt bijna volledig ontgraven, toen er via wellen grondwater omhoog kwam. De groutboog bleek niet waterdicht. Er werd nog geprobeerd om de wellen te dichten met injecties en het aanbrengen van geotextiel en ‘big bags’ als ballast, maar dit bleek niet te werken. Nadat er naast de damwand een gat in de straat ontstond door weggespoeld zand, werd besloten om de lekkage te stoppen door de bouwput onder water te zetten. Hierdoor kwam de bouw stil te liggen.

Deze situatie duurde uiteindelijke ruim twee jaar. In deze periode werd beoordeeld of de lekkage aan de Kalvermarkt een incident was of dat de onbeheersbare welvorming inherent was aan de in het bestek voorgeschreven bouwmethode met de groutboog. Uit een faalkansanalyse bleek dat de kans om meer lekken in de groutboog groot was en dat het weggraven van grond boven een lekke groutboog alleen veilig is als er voldoende grond achterblijft op de boog. Bij de tramtunnel was een dergelijke gronddekking niet haalbaar, omdat de grond op sommige plekken vrijwel tot op de boog ontgraven moest worden.

Tramkom heeft daarom gezocht naar een alternatieve methode voor het afbouwen van de tunnel. Na verschillende opties te hebben bekeken, is besloten om de delen met een groutboog onder verhoogde luchtdruk (1,14 bar) af te bouwen om te zorgen dat er nauwelijks een verschil zou zijn met de waterdruk onder de groutboog. In juni 2000 werd voor de delen met een groutboog het contract omgezet in een ‘design & construct’. Tramkom nam daarmee de verantwoordelijkheid op zich voor het gewijzigde ontwerp. Verder werd afgesproken dat de overige delen van de tunnel volgens het bestek werden afgebouwd.

Verhoogde luchtdruk

Het afbouwen onder verhoogde luchtdruk, had ingrijpende gevolgen. Zo moesten er luchtsluizen worden gemaakt voor mensen en materieel en moest alle afgegraven grond via deze sluizen worden afgevoerd. Om de luchtkwaliteit in de compartimenten met hoge luchtdruk goed te houden werd er alleen met elektrisch materieel gewerkt. Verder konden de bouwers minder lang werken en moesten elke keer bij het verlaten van het compartiment maatregelen worden genomen om ‘caissonziekte’ te voorkomen.

Ook constructief waren er extra maatregelen nodig om geen problemen te krijgen door de hogere druk. Bij tunnel onder de Kalvermarkt moest de vloer boven de eigenlijke tramtunnel – die al was gestort – tijdelijk met een staalconstructie worden verstevigd. Verder moesten hier groutankers worden aanbracht om te voorkomen dat de stalen damwanden omhooggedrukt zouden worden. Onder de Grote Marktstraat was de vloer boven de tunnel nog niet gestort. Om deze vloer geschikt te maken voor de verhoogde luchtdruk werd hij veel zwaarder uitgevoerd en werd gekozen voor een andere verbinding met de diepwanden. Verder werd er tijdelijk ballast op de vloer geplaatst.

Bemalingsproblemen

In de zomer van 2000 werd ook het ontgraven van de bouwput voor station Spui hervat. In juli ontstond hier een wel, vlakbij het compartimenteringsscherm dat de bouwput van station Spui en de bouwput van de Kalvermarkt scheidde. Deze laatste stond nog onder water. Na enkele uren bezweek het scherm en liep ook de bouwput bij het Spui onder. Om dit probleem te verhelpen werd eerst het scherm versterkt en vervolgens grond tegen het scherm aangebracht. Daarna kon het water uit de bouwput Spui worden gepompt.
De maanden daarna bleef de bemaling – die gedurende de tweejarige bouwstop steeds had gefunctioneerd en water wegpompte tussen de gellaag en een daar boven gelegen veenlaag – problematisch. Filters slibden dicht waardoor onvoldoende grondwater kon worden weggepompt. Daardoor dreigde de waterspanning onder de veenlaag zo hoog te worden dat deze zou opbarsten en vervolgens de diepwanden zouden vervormen.

Om de bemaling weer op het gewenste niveau te krijgen, zijn verschillende maatregelen genomen. De grond uit de bouwput is in sleuven van ongeveer zes meter afgegraven over de breedte van de bouwput. Nadat een sleuf was ontgraven is hierin een werkvloer gestort die tegelijkertijd als stempel diende. Voor de bemaling is een groot aantal grondpalen aangebracht, die op de hoogte van de veenlaag waren ‘afgestopt’ en daaronder waren voorzien van een filter. Dat maakte het mogelijk om deze palen ‘aan’ en ‘uit’ te zetten. Pas als het ontgraven begon startte de bemaling. Door deze werkwijze hoefde de bemaling per sleuf slechts drie weken te werken.

Inzichten

Door alle problemen werd de tunnel uiteindelijk ruim vier jaar later in gebruik genomen dan gepland en namen de bouwkosten met circa 100 miljoen euro toe. Na deze moeilijke start, functioneert de tunnel goed. De problemen hebben ook tot de nodige inzichten geleid. Zo concludeert de Delftse hoogleraar funderingstechniek Frits van Tol in 2004 in een artikel in het blad Geotechniek onder andere dat de Tramtunnel nog eens heeft duidelijk gemaakt dat bij ondergronds bouwen:
voldoende robuust moet worden ontworpen
rekening moet worden gehouden met afwijkingen in de bodem en de gerealiseerde (deel)constructies
vooraf moet worden geïnventariseerd welke gevolgen het falen van onderdelen van de constructie hebben
en vooraf maatregelen moet zijn voorbereid om de gevolgen van falen te minimaliseren.
Ook geeft hij aan dat bij de toepassing van waterkerende lagen die zijn gemaakt met groutinjecties, altijd rekening moet worden gehouden met lekken. Verder adviseert hij om softgellagen alleen als waterremmende laag te gebruiken als de bouwfase niet langer dan twee jaar duurt.

Flexival 2017

‘Onze ondergrondproblemen konden wel eens veel oplossingen veroorzaken’

Omdenken! Daar draaide het om op het Flexival 2017. Omdenken rondom de ondergrond en maatschappelijke opgaven. Deze rode draad zorgde voor een dag vol verrassende inzichten en praktische oplossingen. Ook de locatie viel in de smaak bij de deelnemers: ‘Een bijzonder ambiance, zeer passend bij het onderwerp’.

Het Flexival biedt altijd een verrassend en afwisselend programma met hoorcolleges, interactieve sessies, excursies, film, muziek en een goede ondergrondse lounge. Er is volop ruimte om van elkaar te leren en elkaar te inspireren. Dat is ook het doel van het Flexival: voor één dag een inspirerende leeromgeving rondom de ondergrond en ruimte!

Lunch in cultuurhuis Rozet. (Foto: COB)

De editie op 15 februari 2017 stond in het teken van omdenken. Berthold Gunster, de grondlegger van het omdenken, vat het concept samen in twee stappen: 1) maak van een probleem een feit en 2) maak van een feit een mogelijkheid. Oftewel: van problemen naar kansen. Maar omdenken is niet synoniem met Tjakka-denken. Het is geen happy-clappy-verhaal. Het omvat vijftien (!) strategieën van liefde en spel tot werk en strijd. Ook collaboreren met de vijand behoort bijvoorbeeld tot de strategieën. HUH!?

Op het Flexival kwam omdenken in alle sessies als rode draad terug. Telkens waren er problemen. Problemen met de ondergrond, kabels en leidingen, stadsplanning, klimaatverandering, met de Omgevingswet en met sokken. Telkens weer veroorzaakte het probleem tal van oplossingen. Elke ronde kozen de deelnemers hun favoriete probleem en werkten ze actief mee aan oplossingen.

9.45-11.00 uur | Plenair: de Omdenkshow

The hardest thing to see is what is in front of your eyes – Goethe

Bij hoge uitzondering een plenaire sessie. Nou ja, sessie? Het is een show: een ultieme mix van theater, cabaret en voordracht. De show is gebaseerd op het gedachtegoed van Berthold Gunster, de grondlegger van het Omdenken en auteur van negen bestsellers hierover.

Waarom deze show op het Flexival? Omdat wij geloven dat een meer proactieve manier van kijken enorm kan helpen bij het agenderen en waarderen van de ondergrond. En deze show gaat iets losmaken bij u…

De essentie van de Omdenkshow: niet denken in termen van bedreigingen en beperkingen (ja-maar-denken), maar denken in kansen en mogelijkheden (ja-en-houding). Het verschil tussen pechvogels en geluksvogels. De show is populair in trainingsland: al 500.000 deelnemers en volgens velen de beste training. De Omdenkshow laat in 75 minuten op indringende en onontkoombare manier de voordelen zien van omdenken: innovatie, creativiteit en inspiratie.

11.00-12.30 uur | Sessieronde 1

Stadsplanning Arnhem (hoorcollege)

Van problemen naar (ondergrondse) mogelijkheden in stadsplanning

Arnhem werd in 2006 benoemd tot ‘Ondergrondse Hoofdstad van Nederland’. Die eretitel had de stad te danken aan ambitieuze ondergrondse projecten zoals het Watermuseum, de Dansacademie van ArtEZ, de Historische Kelders en het ondergrondse afvaltransportsysteem (OAT) van station Arnhem Centraal. We zijn ruim tien jaar verder. Hoe functioneren nu al die ondergrondse projecten? Welke waarde voegen zij toe aan de stad? Dragen ze bij aan de uitdagingen waarvoor de stad anno nu gesteld staat, waarbij duurzaamheid, concurrentiekracht en ontmoetingsruimte de sleutelwoorden zijn? En tot slot: hoe gaat Arnhem de toekomstige uitdagingen aan en welke rol speelt de ondergrond daarbij?

Uw docent: Jos Verweij was tot voor kort werkzaam bij de gemeente Arnhem als senior adviseur stedelijke planning, onder meer als projectmanager structuurvisie, projectmanager gebiedsontwikkeling. Ook was Jos betrokken bij de programma’s ‘Energy made in Arnhem’ en ‘Attractive Innercity’. Jos Verweij is nu gepensioneerd en werkzaam als adviseur ruimtelijke planning in zijn bedrijf met de toepasselijk naam ‘De vrije ruimte’.

Waardedenken bij Haagse tramtunnel (debat)

Miljoenen batenoverschrijding bij Haagse tramtunnel

Nederland kent honderden ondergrondse gebouwen en tunnels. Wat dat in euro’s gekost heeft, kunnen we met een rekenmachine uitrekenen. Maar wat is de waarde van al die ondergrondse projecten? Wat is meervoudig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit en een goede bereikbaarheid waard? Het COB brengt die waarde momenteel in beeld door een flink aantal gerealiseerde projecten achteraf te bekijken (‘ex post mkba’ heet dat). We kijken niet alleen naar geld, maar ook naar besluitvorming en gehanteerde argumenten. Op het Flexival komen de eerste resultaten van de Haagse tramtunnel aan bod en wordt u gevraagd te reflecteren en mee te denken op het vervolg. Werk actief mee aan dit groeiboek!

Uw docenten: Lidwien Besselink is managing partner bij Triple Bridge en senior adviseur op het werkveld ondergrond, water, energie en governance. Ze richt zich op het ondersteunen van opdrachtgevers, zowel op inhoud als proces. Lidwien is projectleider van het COB-project Waarde van ondergronds bouwen. Bert van Eekelen is proces- en programmamanager, adviseur, trainer, mediator en medeoprichter van VPR consultants. Hij verbindt inhoud, proces en relaties bij opgaven binnen infrastructuur, gebiedsontwikkeling en bouw. Bert was ruim negen jaar betrokken als manager Integraal Ontwerp bij Zuidasdok. Sebastiaan Buisman is student Technische bestuurskunde aan de TU Delft. In het kader van zijn masterscriptie heeft hij het besluitvormingsproces en de ruimtelijke effecten van Het Souterrain in Den Haag in beeld gebracht. Olaf Koops is regionaal econoom en medeoprichter van Netherlands Economic Observatory (NEO). Hij heeft ruime ervaring in het opstellen van maatschappelijke kosten-batenanalyses bij gebiedsontwikkeling. Olaf trekt spoor A binnen het COB-project Waarde van ondergronds bouwen.

Beleid voor kabels en leidingen? (presentatie én gesprek)

Te midden van de moeilijkheid ligt de mogelijkheid – Einstein

In deze sessie veel moeilijkheden rondom kabels en leidingen. Maar ook (gerealiseerde) mogelijkheden! Bij een bodemsanering is in schone grond een kabelbed aangelegd. Waarom leggen partijen hun kabels buiten dit schone bed in de vervuilde grond? Dit vraagt om beleid! Arnhem werk daaraan en deelt de gedachten hierover. En Arnhem hoort graag uw gedachten! Vervolgens duiken we in een zeer complex project. ‘De moeder aller Arnhemse riolen’ verkeert in zeer slechte staat. Dit negentiende-eeuwse monument (1870) heeft een stevige renovatie ondergaan. Nu op het Flexival en later dit jaar op National Geographic (echt waar!). Tot slot: op veel plekken wordt erover gesproken, maar Arnhem hééft gewoon een ondergronds afvaltransportsysteem (OAT). Wat zijn nu de ervaringen van de gemeente Arnhem hiermee? En wat kunnen andere partijen hiervan leren?

Uw docenten: Hein den Hartog is werkzaam als adviseur beheer bij de gemeente Arnhem. Hij is onder meer betrokken bij het volledige proces van kabels en leidingen in Arnhem en het tegengaan van verrommeling en onnodige objecten in de openbare ruimte. Clemens Berntsen is senior beleidsmedewerker afvalbeheer bij de gemeente Arnhem. Hij was betrokken bij de realisatie van het ondergronds afvaltransportsysteem.

13.30-15.00 uur | Sessieronde 2

De sokkenshow

Als je loslaat, heb je twee handen vrij

Trek uw stofjas aan en ga direct aan de slag bij ‘De gebroeders Sok’. De klant wil namelijk nu sokken. NU! Zakjes en elastieken, inputjes en outputjes vliegen alle kanten op. En de klant blijft maar vragen: meer, sneller, beter. Sokken vallen van de lopende band. De klant vraagt om uitleg. Uw collega’s gaan steeds harder werken. Ze gedragen zich vreemd, maar toch ook zo… bekend! Pas als de stroom van orders afneemt, is er tijd om de prestaties te evalueren. Het leek nog wel zo simpel. De praktijk is weerbarstig. De Sokkenshow laat u de basisprincipes van processen, procesontwerp en processturing ervaren. Als het niet direct lukt om een optimaal proces te organiseren, krijgt u een herkansing. Als u de klant en het werkproces wat beter kent, kunt u slimmere keuzes maken. Meestal helpt dat: de samenwerking verbetert en de klanttevredenheid neemt toe. De Sokkenshow is een must voor iedereen die omdenken aan den lijve wil ervaren.

Uw sokkenkoning: Philippe van Hees is een ervaren consultant op het gebied van proces- en ketenmanagement. Hij heeft veel projecten gedaan in de zakelijke dienstverlening en bij (decentrale) overheden zoals gemeenten, waterschappen en het openbaar ministerie. Hij is mede-initiatiefnemer, -oprichter en -eigenaar van De Processpecialisten.

De Maand van de Onderwereld Rotterdam (interactief)

Om gelukkig te zijn moet je iets doen waar je gelukkig van wordt – Johan Cruijf

De gemeente Rotterdam organiseert voor de vijfde keer de Maand van de Onderwereld. Wat ooit begon als experiment om de ondergrond als kans op de kaart te zetten (resultaat van omdenken!), is uitgegroeid tot een volwassen evenement met tal van activiteiten rondom de ondergrond. De grondleggers van de Maand van de Onderwereld nemen u in hun verhaal. We bepalen gezamenlijk de meerwaarde van het concept en verkennen de mogelijkheden om het te kopiëren naar andere organisaties en naar concrete projecten. En: kunnen we een nationale Maand van de Ondergrond organiseren? De resultaten van deze sessie worden na het Flexival verder uitgewerkt in een kleine werkgroep.

Uw docenten: Joost Martens is adviseur beheer ondergrond bij de gemeente Rotterdam en de drijvende kracht achter het concept van de Maand van de Onderwereld. John de Ruiter is adviseur ondergrond bij de gemeente Rotterdam en de initiatiefnemer van de Maand van de Onderwereld. Joost en John zijn daarnaast betrokken en enthousiaste leden van de Carrousel Ondergrond en ordening.

Klimaatuitdagingen in Waasstad (gaming)

In het verleden gebeurt niets meer – Eckhart Tolle

Een van de grote maatschappelijke uitdagingen van deze eeuw: klimaatbestendigheid! Ook Waasstad staat voor deze uitdaging. Vandaag gaan we hieraan samenwerken. Dat betekent compromissen sluiten, maatschappelijk draagvlak zoeken en maatregelen nemen. Je ziet direct hoe beslissingen uitwerken. Je ziet hoe de rivier verandert, je krijgt te horen hoe de bevolking reageert op gebeurtenissen binnen en buiten het Waasgebied en hoe het maatschappelijk draagvlak voor maatregelen zich ontwikkelt. Zo moet je in samenwerking een eeuw de rivier beheren. De serious game Waasstad en het achterliggende model werden ontwikkeld door Deltares, Universiteit Maastricht, Universiteit Utrecht, Universiteit Twente, Carthago Consultancy, Pantopticon en het KNMI.

Uw docent: Willem van Deursen is adviseur op het gebied van water en ruimte. Hij heeft veel projecten gedaan rondom klimaatadaptatie, zowel nationaal als internationaal (met name Azië). Hij is oprichter en eigenaar van adviesbureau Carthago.

Excursie Arnhem CS en meer…

Als het geschied is, komt ook de dwaas tot inzicht – Erasmus

Niet veel woorden, gewoon meegaan: excursie met heel veel ondergrond: Erfgoedhuiscentrum, het Moerriool, kabels-en-leidingentunnel, ondergronds afvalsysteem, Arnhem CS… Wow! We vertrekken vanuit Rozet naar de terminal van het ondergrondse afvaltransportsysteem. Daar starten we de toer.

Uw excursieleider: Clemens Berntsen is adviseur Beheer openbare ruimte en was nauw betrokken bij de realisatie van het ondergrondse afvaltransportsysteem.

15.00-16.30 uur | Sessieronde 3

De mens als stadsdier (hoorcollege)

Je kunt de golven niet stoppen, maar je kunt wel leren surfen – Lao Tze

Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in de stad. En Nederland kan gezien worden als één groot stadslandschap. Niet vreemd dat er in dat perspectief veel gezegd en geschreven wordt over de stad. Filosoof Jan-Hendrik Bakker brengt voor ons veel van dat alles samen en legt verbanden tussen filosofie, literatuur, architectuur en populaire cultuur. Krijg zicht op het stadsleven, op onze veranderende stijl van wonen en het stempel dat de stad drukt op ons bewustzijn. Na een kort hoorcollege gaan we samen verder filosoferen. Samen omdenken: zoeken, tasten en ontdekken wat de stad ons heeft gebracht en zal brengen. Welke uitdagingen staan er te wachten? En wat is de verhouding tussen stad en ommeland? En wat willen we onderstrepen of toevoegen vanuit het perspectief van de ondergrond? Welkom in Megapolis!

Uw docent: Jan-Hendrik Bakker studeerde filosofie, psychologie en literatuur. Hij publiceerde onder meer de boeken ‘Welkom in Megapolis – Denken over wonen, stad en toekomst’ en ‘Grond – Pleidooi voor aards denken en een groene stad’.

Pilot Omgevingswet en ondergrond

Niet kleuren binnen de lijntjes, maar je eigen lijnen trekken

We weten het allemaal: in 2019 treedt de Omgevingswet in werking. Dé kans voor omdenken: proactief aan de slag om de ondergrond in de omgevingsvisie te integreren. Als u dit moment mist, als u de ondergrond niet weet te verbinden met de omgevingsvisie, dan lukt het u nooit. Diverse gemeenten zijn al voorgesorteerd en delen vandaag hun ideeën en beoogde aanpak, maar ook hun vragen en twijfels. We gaan in gesprek en formuleren bouwstenen voor de pilot Ondergrond in de omgevingsvisie. Na de sessie zullen we in een kleiner werkverband de pilot handen en voeten geven.

Uw docenten: Henk Puylaert is een ervaren adviseur op het terrein van gebiedsontwikkeling en ondergrond. Hij is nauw betrokken bij de vraag hoe de ondergrond te verbinden met leefomgeving (mede in het licht van de Omgevingswet). Hij is mede-oprichter en -eigenaar van H2Ruimte. Jeroen Brouwer is beleidsmedewerker Omgevingskwaliteit bij de gemeente Katwijk. Hij is de initiatiefnemer van tal van projecten op het raakvlak van ondergrond en ruimte binnen de gemeente, waaronder het Bodemboek Katwijk en de CoP Netwerk bodem en ondergrond Leidse regio.

Excursie Arnhem CS en meer…

Je wensen zijn een voorgevoel van wat je in staat bent daadwerkelijk te realiseren – Goethe

Niet veel woorden, gewoon meegaan: excursie met heel veel ondergrond: Erfgoedhuiscentrum, het Moerriool, kabels-en-leidingentunnel, ondergronds afvalsysteem, Arnhem CS… Wow!We vertrekken vanuit Rozet naar de terminal van het ondergrondse afvaltransportsysteem. Daar starten we de toer.

Uw excursieleider: Clemens Berntsen is adviseur Beheer openbare ruimte en was nauw betrokken bij de realisatie van het ondergrondse afvaltransportsysteem.

Zwemmen in een schuilkelder

De Finse hoofdstad Helsinki beschikt sinds 2010 over een integraal ondergronds masterplan. Het plan brengt de bestaande ondergrondse toepassingen in kaart en voorziet in reserveringen voor toekomstig gebruik. Volgens Ilkka Vähäaho, hoofd van de geotechnische divisie van Helsinki en voorzitter van de Finse tunnelassociatie, is het plan een onmisbaar hulpmiddel voor duurzame ontwikkeling van de stad en zijn ondergrond.

Vähäaho: “Het masterplan voor de ondergrond is bijvoorbeeld het fundament voor de bijdrage van de ondergrond aan een duurzaam en esthetisch acceptabel landschap en behoud van ontwikkelmogelijkheden voor toekomstige generaties. Zo speelt het masterplan een belangrijke rol in de ruimtelijke ordening.”

Het ondergrondse masterplan voor Helsinki brengt zowel de bestaande als toekomstige ondergrondse ruimten, tunnels en vitale ondergrondse onderlinge verbindingen in kaart. In het plan zijn reserveringen opgenomen voor nu nog onbekende toekomstige ondergrondse toepassingen. Op basis van uitgebreid geologisch onderzoek is bepaald welke plekken in de ondergrond geschikt zijn. Daarbij is vooral gekeken welke nog niet benutte ondergrondse capaciteit in de toekomst een bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op het stadscentrum. Anders dan in Nederland, waar de meeste ondergrondse bouwwerken ‘stand-alone’ zijn, ontwikkelt de ondergrond van Helsinki zich door het verbinden van bestaande en nieuwe ondergrondse toepassingen steeds meer tot een aaneengesloten ondergrondse stad.

De integrale aanpak biedt extra voordelen boven op die van het sec ondergronds gaan. Er is sprake van multifunctioneel ondergronds ruimtegebruik, zoals bij het ondergrondse zwembad in Itäkeskus, dat in tijden van nood kan worden omgevormd tot schuilkelder. Een datacenter onder een kathedraal wordt via een ondergronds buizenstelsel gekoeld met zeewater. De restwarmte gaat – ook weer ondergronds – naar de stadsverwarming.

Er zijn grote voordelen verbonden aan multifunctionele leidingentunnels. Ilkka Vähäaho geeft aan dat het masterplan ook een bijdrage levert aan een betrouwbare energievoorziening en optimalisatie van energie-opwekking. Kosten kunnen worden gedeeld door meerdere gebruikers. Bovengronds ontstaat ruimte voor nieuwe initiatieven, en het uiterlijk en imago van de stad worden verbeterd. Onderhoud is eenvoudiger en goedkoper en de impact van werkzaamheden aan ondergrondse leidingen op het dagelijks leven bovengronds is beperkt. Bovengronds komt ruimte vrij voor andere doeleinden.

Lange historie

Helsinki heeft een lange historie van ondergronds bouwen. De stad kent nu al meer dan vierhonderd ondergrondse bouwwerken, zestig kilometer tunnels voor technisch onderhoud en tweehonderd kilometer multifunctionele leidingentunnels voor verwarming, koeling, elektriciteit en water. De watervoorziening van de stad is gegarandeerd door middel van een honderd kilometer lange ondergrondse tunnel die in de periode 1972-1982 werd gerealiseerd tussen Lake Päijanne en Helsinki.

Naast voor de hand liggende toepassingen als tunnels, parkeergarages en multifunctionele leidingentunnels voor onder andere stadsverwarming kent Helsinki ook tal van andere toepassingen, zoals muziekcentrum en een zwembad. Ook het bedrijfsleven gaat ondergronds, onder andere met opslag of het eerder genoemde ondergrondse datacenter.

In het masterplan is rekening gehouden met tweehonderd reserveringen voor ondergronds gebruik en nog eens veertig reserveringen zonder vooraf bepaalde bestemming. De gemiddelde oppervlakte van die reservering is dertig hectare, optellend tot een totaal van veertien honderd hectare, ofwel 6,4% van de oppervlakte van Helsinki. In 2011 werd berekend dat er voor elke honderd vierkante meter bovengrondse ruimte een vierkante meter ondergrondse ruimte werd benut. De huidige reserveringen vertegenwoordigen dus nog een enorm ondergronds potentieel.

Bovengrondse kwaliteit

Uitgangspunt is dat wat niet bovengronds hoeft, net zo goed ondergronds kan. Burgemeester Jussi Pajunen daarover in een documentaire van CNN: “Functies die niet gezien hoeven te worden, stoppen we onder de grond. Het is relatief goedkoop, dus waarom zou je er geen gebruik van maken.” De kwaliteit van de bovengrondse ruimte blijkt in veel gevallen de belangrijkste drijfveer. Ilkka Vähäaho: “Niet-Finse deskundigen beweren wel dat de gunstige eigenschappen van het bedrockgesteente en de zeer strenge winterklimatologische omstandigheden de belangrijkste drijfveren voor deze ontwikkeling zijn geweest. Maar er zijn belangrijker argumenten. Finnen hebben een sterke behoefte aan open ruimten, zelfs in de stadscentra, en Helsinki is klein. Het is qua inwoners de grootste stad van Finland, maar behoort qua oppervlakte tot de kleinste.”

Zero-land-use-thinking

Helsinki kent al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een toewijzingsbeleid voor ondergronds ruimtegebruik. Begin deze eeuw ontstond het idee voor een integraal ondergronds masterplan. De eerste voorbereidingen startten in 2004. De gemeenteraad van Helsinki keurde het masterplan in december 2010 goed. Ilkka Vähäaho noemt het een voorbeeld van ‘zero-land-use-thinking’. Met andere woorden, het uitgangspunt dat nieuwe functies in de stad niet tot extra bovengronds ruimtebeslag mogen leiden.

Hij illustreert dat met een doorsnede van het Katri Vala Park (zie figuur hiernaast). Daar werden sinds de jaren vijftig ondergronds achtereenvolgens opslagruimten, een multifunctionele leidingentunnel, een tunnel voor gezuiverd afvalwater en een warmtepompstation gerealiseerd. In het masterplan is onder dezelfde locatie ook nog ruimte gereserveerd voor toekomstig ondergronds gebruik. Het park is in al die tijd onaangetast gebleven.

 

 

Geotechniek voor Ondergrondse Ruimteontwikkeling

Voor het in kaart brengen van geschikte locaties voor toekomstig ondergronds gebruik heeft de geotechnische dienst van Ilkka Vähäaho uitgebreid onderzoek gedaan. Er is onderzoek gedaan naar locaties waar de mogelijk grote aaneengesloten ruimten kunnen worden gerealiseerd. Daarvoor werd een model ontwikkeld op basis van een standaardruimte van 12x50x150 meter (hxbxl). Met behulp van (hoogte)kaarten en boringen zijn de reeds benutte ondergrond en zwakke zones in kaart gebracht.

Het bedrockgesteente ligt in Helsinki niet ver onder het maaiveld. Dat betekent dat er veel goede, veilige locaties zijn voor aanleg van ondergrondse bouwwerken en installaties. Het onderzoek maakte zichtbaar dat er buiten het centrum vijfenvijftig locaties zijn waar in de buurt van verkeersknooppunten redelijk grootschalige ondergrondse voorzieningen gerealiseerd kunnen worden. Deze plekken zijn gemarkeerd als mogelijke toekomstige toegangen tot ondergrondse bouwwerken en infrastructuur.

Ambities
In Finland wordt ook buiten de hoofdstad gekeken naar de mogelijkheden die de ondergrond biedt. Ilkka Vähäaho noemt de steden Tampere, de derde stad van het land, en Oulu als voorbeelden. En er wordt serieus gekeken naar de haalbaarheid van een tachtig kilometer lange onderzeese tunnel tussen Helsinki en de Estse hoofdstad Tallinn, die dan samen zouden moeten uitgroeien tot de tweelingstad ‘Talsinki’, met de potentie om te gaan concurreren met steden als Stockholm en Kopenhagen.

Dit was de Onderbreking Duurzaamheid

Bekijk een ander koffietafelboek: