“In stedelijke centrumgebieden met hoge dichtheid neemt de druk toe om meer ondergronds te bouwen. De relatief hoge kosten worden gelegitimeerd door hoge opbrengsten van de vierkante meters erboven en de wens om te investeren in hoogwaardige openbare ruimte. Die ontwikkeling en de ambities op het gebied van duurzaamheid en circulariteit zullen er de komende tijd voor gaan zorgen dat er meer aandacht voor kwaliteit komt in de ondergrond”, stelt Paul van der Ree, senior-architect bij studioSK, Movares.

“Wat je wilt, is dat we ten aanzien van de ondergrond waardecreërend gaan investeren. We zullen daar met z’n allen de schouders onder moeten zetten. Je kunt het tenslotte maar één keer goed doen. Dat creërend investeren begint met anders denken. We kunnen de ondergrond pas echt optimaal gaan benutten als we ernaar streven dat mensen ondergrondse ruimten net zo prettig ervaren als bovengrondse. Zodanig dat je, omdat de ruimtelijke kwaliteit overal even hoog is, niet weet of merkt of je op +3 of -2 bent. In het buitenland zie je dat al veel vaker. In zo’n situatie kun je je ook voorstellen dat functies als flexibele vergader- of winkelruimten ondergronds kunnen. Maar dat lukt alleen als je ondergronds met dezelfde ambitie ontwerpt en bouwt als bovengronds. De tijd is er rijp voor. Er breekt mijns inziens een nieuwe periode aan, waarin waardecreatie en duurzaamheid de drijfveren worden. Daarbij hebben we in Nederland het voordeel van onze relatieve achterstand. We kunnen nog veel vaker de bovengrondse ruimtedruk op een goede manier ondergronds opvangen. Met de enorme kennis die we hebben van ondergronds en onder (grond)water bouwen, kunnen we de complexiteit van multifunctioneel ondergronds bouwen makkelijk aan.”

‘Er breekt mijns inziens een nieuwe periode aan, waarin waardecreatie en duurzaamheid de drijfveren worden.’

Van restruimte naar een nieuw palet aan functies

In de ogen van Paul zijn ondergrondse ruimten in het verleden te vaak gezien als restruimten van de bovengrondse wereld en zullen we veel meer moeten gaan denken in termen van kansen. “We stopten op een laagwaardige manier functies ondergronds, omdat die ons bovengronds in de weg zaten. Dat heeft ervoor gezorgd dat we in ons land opgescheept zitten met een enorm areaal aan laagwaardige, inflexibele en publieksonvriendelijke ondergrondse ruimten, zoals de oude generatie monofunctionele parkeergarages. Daar komt verandering in nu ondergrondse ruimte in de praktijk steeds vaker de representatieve entree van hoogwaardige stedelijke functies wordt. Die receptie-/entreefunctie vraagt om meer aandacht voor de kwaliteit. Ik ben ervan overtuigd dat de ondergrond mogelijkheden biedt voor een nieuw palet aan functies en mogelijkheden. Maar om de kansen die er op dat gebied zijn, voor de toekomst veilig te stellen, zullen we wel meer adaptief moeten gaan denken en ontwerpen.”

Het Van Goghmuseum aan het Amsterdamse Museumplein kreeg in 2015 een nieuwe entree waarbij de foyer verdiept is aangelegd. (Foto: Flickr/Greger Ravik)

De benodigde aandacht voor kwaliteit in de ondergrond zal volgens Paul een extra impuls krijgen door de ambities op het gebied van duurzaamheid en circulariteit. “Op zichzelf levert ondergronds bouwen geen bijdrage aan circulariteit. Vanuit dat oogpunt bouw je liefst op maaiveld, omdat je materialen dan gemakkelijker kunt demonteren en hoogwaardig hergebruiken. Maar als je de lat hoog legt en kiest voor materialen die herbruikbaar zijn en je de ondergrondse ruimte zo inricht dat je in de tijd meer verschillende functies mogelijk maakt, is je hele ondergrondse bouwwerk in functionele zin circulair. Mits adaptief en toekomstvast, is het meervoudig grondgebruik waarvoor ik pleit, juist zeer duurzaam.”

Duurzaamheid en circulariteit zijn niet de enige drijvers voor een adaptieve aanpak. Paul: “Ontwikkelingen in ons leefpatroon gaan steeds sneller, waardoor functies in de toekomst sneller zullen veranderen. Daar moet je op anticiperen in je ontwerp. Want wie weet wat we over enkele decennia nodig hebben? Een eerste stap in adaptiviteit is een vrije hoogte van 3,40 meter voor elke ondergrondse bouwlaag. Daarmee ontstaat toekomstbestendige, aanpasbare ondergrondse ruimte. Je kunt de ondergrondse ruimte dan bijvoorbeeld ook gebruiken voor winkel- en vergaderruimten en voor het dubbellaags stallen van zowel fietsen als zelfrijdende auto’s. Als je die grotere hoogte dan ook nog combineert met grotere overspanningen, creëer je duurzame adaptieve (aanpasbare) ruimten. De kern is dat we vroegtijdig goed moeten nadenken over wat we in de ondergrond willen bouwen.”

Goede voorbeelden

Paul heeft zelf al aan goede voorbeelden meegewerkt. Zo ontwierp hij een high-end ondergrondse fietsparkeergarage onder het Mahlerplein aan de Zuidas in Amsterdam. Daar waren programmatisch een wateropslag en een tunnel voor ondergrondse infra aan toegevoegd. De aannemer was al in volle gang met deze bouwopgave toen de ernaast gelegen bank besloot om haar kans te grijpen en er last minute een ondergronds domein aan toe te voegen. Dat behelsde een aantal vergader- en publieksruimten onder het Circl paviljoen. Paul: “Dat bood de kans om werk met werk te maken. De bouwkuip werd vergroot en zo kon in een keer een groter volume gerealiseerd worden. Niet alleen goedkoper dan twee aparte bouwkuipen, maar ook met minder overlast voor de omgeving. Als de beide programma’s in een eerder stadium gecombineerd waren, was er door interactie wellicht een grotere meerwaarde bereikt, maar ook separaat ademen de ondergrondse bouwwerken een bijzonder prettig verblijfsklimaat. Je hebt er eigenlijk helemaal niet het idee dat je je ondergronds bevindt.”

Ondergrondse fietsparkeergarage Mahlerplein, Zuidas Amsterdam. (Foto: Petra Appelhof)

De ondergrondse projecten die Paul op dit moment onder handen heeft, illustreren de maatschappelijke meerwaarde van meervoudig grondgebruik. In de diverse stationsgebieden waar hij actief is, wordt niet alleen geïnvesteerd in publiekskwaliteit in de stalling, maar ook in transformatie van het maaiveld. Paul: “Het accent ligt meer en meer op actuele thema’s zoals klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen. Door de realisatie van de nieuwe ondergrondse stallingen wordt openbare ruimte vrijgespeeld en asfalt ingeruild voor een prettig groen verblijfsgebied. Het openbaar vervoer krijgt zo ook een openbare groene ruimte als voorportaal. De groene parkruimten brengen verkoeling, voorkomen stedelijke hittestress en versterken ook nog het groene imago van het openbaar vervoer. Deze prachtige transformaties zouden onmogelijk zijn geweest zonder de ondergrondse bouwwerken.”

Flexibiliteit en publiekskwaliteit

Paul pleit voor meer uitstraling en vooral voor een beter begrip van de evolutie van de functie van ondergronds ruimten. Illustratief is in zijn ogen de mobiliteitsontwikkeling in middelgrote en grote steden. Deze laat zien dat er een niet te keren trend is naar steeds minder auto’s. Met de voornemens van colleges in verschillende grote steden op het gebied van duurzaamheid zal die trend alleen maar versnellen.

“Tegelijkertijd zien we enorme herwaardering voor de openbare ruimte in de binnensteden en de politieke wil om daarin te investeren. We zien dat hieruit een nieuw type opgave vloeit: de transformatie van autoparkeergarages tot fietsparkeergarages of een combinatie van beide”, zegt Paul, die de Hallen in Amsterdam-West als voorbeeld noemt. “Bij de herontwikkeling van deze voormalige tramremise is ondergronds parkeerruimte voor auto’s gerealiseerd. De afgelopen jaren heeft men met regelmaat een deel van de autoparkeerplekken opgeheven om te voldoen aan de groeiende vraag naar plekken voor fietsen en scooters. Vanwege het succes heeft men uiteindelijk zelfs een hele travee met autoparkeren opgeheven ten gunste van de fiets. Ook voor nieuwbouw zou je op deze ontwikkeling moeten kunnen anticiperen. Dat gaat niet vanzelf, al was het alleen maar omdat binnen elk gemeentelijk apparaat de fiets onder ‘openbare ruimte’ valt en de auto onder ‘infrastructuur’. Budgetten worden gealloceerd in deze aparte thema’s. Dat kan veranderen door te denken in noodzakelijke nieuwe cross-overs en combinaties. Ook op dit thema zie je dus de urgentie voor een nieuw denkraam en een nieuwe aanpak.”

Creatieve processen en integrale samenwerking

De hierboven genoemde voorbeelden ten spijt, ziet Paul het anders denken over ondergronds ruimtegebruik niet alleen als een taak voor architecten. “Als architect heb ik natuurlijk bij uitstek een rol waarbinnen ik regelmatig de vraag stel of er mogelijkheden zijn om meer maatschappelijke waarde toe te voegen. Daarentegen claim ik absoluut niet het patent op de aan onze vakgroep zo vaak toegeschreven creativiteit. Ik ben ervan overtuigd dat veel meer te bereiken is met de inzet van het in ons land aanwezige technisch vernuft en intellect op het gebied van projectmanagement. Wat nu nog tegenwerkt, zijn vastgeroeste schema’s en processen. Juist omdat dit type bouwopgaven meestal ‘in beton gegoten wordt’, moet je in de vroege planfase over de schuttingen heen kijken. Zijn er meer gegadigden die interesse zouden kunnen hebben om op de locatie ook een programma te realiseren? Te vaak worden kansrijke combinaties uitgesloten door het bekende dichttimmeren van de scope van een bouwproject. Of doordat geldstromen of processen niet gecombineerd worden. Daar vraagt het om ‘de kunst van het loslaten’, zodat je interessante combinaties vrij kunt verkennen. Proces- en contractmanagers staan daarbij vooraan. Anders kijken vraagt juist op die posities om inventiviteit en onbevangenheid. Het vraagt om een filosofie van over grenzen en de waan van de dag heen kijken, waarmee je maatschappelijke waarde kunt verkennen, aantonen en opbouwen.”