Van achttien naar twee per maand. Bij een grootschalige vervangingsproject in Amsterdam is het aantal graafschades drastisch teruggebracht. Wat zit daarachter? En wat kan de sector daarvan leren? Veiligheidskundigen Nita Sardjoe (ook teamleider regio West) en Marcel van Dijk van aannemer Van Gelder Groep en de graafschadespecialisten Boris van der Pijl en Martin Kraaijeveld van Liander bespreken de ingrediënten voor succesvolle graafschadereductie.
De opgave is indrukwekkend. In het kader van de energietransitie vervangt Liander in Amsterdam 1.600 kilometer aan elektriciteitskabels en plaatst 1.000 nieuwe transformatorhuisjes. Dat het aantal graafschades daarbij zo drastisch is teruggebracht, gaat niet onopgemerkt aan de sector voorbij. ‘Hoe krijgen jullie dat voor elkaar’, is een veel gehoorde vraag, met op de achtergrond de veronderstelling dat als dit mogelijk is in de drukke Amsterdamse ondergrond, het ook elders zou moeten kunnen. En dat laatste is inderdaad het geval. Liander en Van Gelder kiezen een aanpak die kopieerbaar is, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Vinger opsteken
Nita Sardjoe: “Als je dingen wilt verbeteren, moet je zelf je vinger opsteken. Dat heb ik gedaan. Ik heb Liander benaderd met een hulpvraag. Het beperken van graafschades is onderdeel van veiligheid en vanuit mijn rol als veiligheidskundige heb ik gevraagd hoe we zouden kunnen samenwerken op dit vlak. Bij Liander bleek de drempel voor samenwerking laag. We zijn begonnen vanuit het besef dat er wederzijds een noodzaak was om te veranderen. We hebben hetzelfde doel voor ogen, namelijk het aantal schades naar beneden brengen. We zijn niet begonnen vanuit de vraag wat er allemaal niet goed gaat en waarom, maar andersom: Hoe zou het eigenlijk moeten? Die vraag hebben we ook gesteld aan de mensen uit de praktijk.”
‘We zijn begonnen met de vraag: ‘Hoe zou het eigenlijk moeten?’
Uit die inventarisatie bleek al snel dat elke graafploeg een eigen visie had. Soms vanuit de verklaring dat ‘we het altijd zo hebben gedaan’, maar vaker omdat de KLIC-app niet goed wordt begrepen of toegepast. Een groot risico zit in de veronderstelling dat de KLIC-app alwetend is. Mogelijke afwijkende ligging wordt dan niet meegewogen. Daarbij blijken vooral laagspanningskabels en huisaansluitingen kwetsbaar. De eerste les uit de praktijkinventarisatie was dan ook dat graafinstructies moeten starten vanuit de gedachte dat KLIC een hulpmiddel is en geen absolute waarheid. Met andere woorden: je moet controleren of dat wat je op je scherm ziet overeenkomt met de werkelijkheid. Een tweede les is dat de kennis, ervaring en inzichten van de mensen in de sleuf keihard nodig zijn om tot resultaat te komen. Schade ontstaat ook door onvoldoende voorbereiding op kantoor, onduidelijke instructies en verkeerde aannames. De graafmachine is dan slechts de uitvoerder van wat al gedoemd was om mis te gaan.
Kennis en gedrag
Voor Van Gelder en Liander zijn overdracht van kennis en ervaring essentieel gebleken in het terugdringen van graafschades. Met als belangrijke kanttekening dat je met het vergroten van de kennis niet noodzakelijkerwijs het gedrag beïnvloedt. Het is minstens zo belangrijk dat de rol van mensen in de uitvoering worden erkend en dat hun vakmanschap op waarde wordt geschat. Vanuit die gedachte zijn werkinstructies en begeleiding op de werkplek ontwikkeld vanuit de behoefte van de mensen in de operatie. Bij Van Gelder heeft men een eigen aanpak ontwikkeld, blijkt uit de toelichting van Nita Sardjoe. “De CROW-richtlijnen bieden belangrijke uitgangspunten, maar geen concrete handvatten voor de uitvoeringspraktijk. In de richtlijnen staat wel dat je zorgvuldig moet graven, maar er is geen beschrijving in heldere taal van hóe je dat doet. Dat wilden we oplossen, maar wel op een manier die rekening houdt met mensen, verschillende culturen en taalbarrières. We hebben goed gekeken naar de doelgroep die we wilden aanspreken. Onze toolbox is er bijvoorbeeld in negen talen. Soms hebben we er vertalers bij. We blijven ons steeds afvragen: wat is de meest effectieve manier? En de basis daarvoor is altijd: respect, dankbaarheid en vakmanschap. Dat betekent dat we in alles kiezen voor een praktische, doelgroepgerichte aanpak, zoveel mogelijk met uitleg op de werkplek, nooit op kantoor. Instructies moeten laagdrempelig zijn, met plaatjes en weinig taal. We kijken samen naar de situatie ter plekke, herhalen steeds de stappen die je moet nemen om de werkelijke situatie goed in kaart te brengen en stellen altijd controlevragen, zodat we zeker weten dat de informatie is overgekomen. Verder hebben we een animatie gemaakt, waarin we zonder woorden uitleggen hoe de KLIC-app werkt, wat je kunt verwachten, waar je op moet letten en hoe je moet voorsteken. Inmiddels zijn we ook gestart met een roadshow, waarbij we op locatie het voorsteken promoten door het in de praktijk te laten zien.”
Vakmanschap erkennen
Het is belangrijk dat er vanuit alle rollen in het proces erkenning is voor het vakmanschap dat nodig is om in de praktijk, in een ondergrond vol verrassingen, veilig tot een goed resultaat te komen. Martin Kraaijeveld: “Zorgvuldig graven is moeilijker dan we denken. Het is belangrijk dat we dat erkennen. Het betekent voor de mensen die graven dat zij gezien worden. Pas dan kun je effectief een gesprek voeren over hoe het anders kan.” Boris van der Pijl beaamt dat: “Voordoen, samen doen, zelf doen. Dat werkt goed. Maar het gesprek daarover begint met erkennen dat voorsteken en zorgvuldig graven een vak is.” Erkenning zit niet alleen in het voortraject, maar zeker ook in het vieren van resultaten. Nita Sardjoe: “Als een ploeg zorgvuldig werkt en weinig schades maakt, moet je dat laten merken. Bijvoorbeeld met een foodtruck op het werk laten we zien dat de inspanningen van die ploeg gewaardeerd worden.”
Nooit vanuit de schuldvraag
De vier gesprekspartners benadrukken het belang van een waardevrij oordeel bij het analyseren van schades. Verbeteringen komen niet tot stand vanuit vingerwijzen, maar vanuit de gezamenlijke ambitie om tot verbetering te komen. Boris van der Pijl: “Het gaat niet over de schuldvraag. Daarmee werp je een drempel op. Je moet willen delen en met elkaar open kunnen praten over wat je ziet en wat je samen kunt doen om ervoor te zorgen dat iedereen ’s avonds weer veilig thuiskomt.”
Stap voor stap
Voor partijen die ook serieus aan graafschadebeperking willen werken, heeft Nita Sardjoe een praktisch advies: “Begin! En doe het stap voor stap. Begin in één regio met één team en één opdrachtgever en bouw verder vanuit de resultaten die je boekt. Kies niet voor een topdownbenadering. De praktijk vraagt om oplossingen die aansluiten bij de mensen die het werk buiten uitvoeren. Vertrouw op de olievlekwerking die je tot stand kunt brengen. Draagvlak ontstaat ook van beneden naar boven.”
Onderlinge samenwerking
De succesvolle graafschadereductie in Amsterdam is niet alleen terug te voeren op de erkenning van de rol van de graafploegen, de open communicatie en de praktische werkinstructies. De resultaatgerichte samenwerking tussen Liander en Van Gelder is een belangrijke randvoorwaarde. Het begint met de bereidheid om samen te leren. Nita Sardjoe: “Je moet het belangrijk vinden. Als daaraan niet voldaan kan worden, kun je ook geen resultaat verwachten. En je moet het samen doen en je verantwoordelijkheid nemen. We hebben geleerd dat het waardevol is om opdrachtgevers actief mee te nemen in wat volgens ons in de uitvoering beter of veiliger kan.” Boris van der Pijl onderschrijft dat volmondig: “ We zijn partners in business. Het uitgangspunt is dat iedereen een mooi werk wil maken. Het is onze taak om dat mogelijk te maken.”
Nita Sardjoe: “Samenwerken met partners betekent ook dat je binnen je eigen organisatie draagvlak moet creëren. Nu we zover zijn dat we steeds meer aantoonbare resultaten kunnen laten zien, wordt dat vanzelf makkelijker. Daarbij blijf ik overigens altijd werken vanuit mijn verantwoordelijkheid als veiligheidsdeskundige. Andere voordelen blijken vanzelf wel. Doe je het niet goed, dan verlies je je certificering en daarmee uiteindelijk ook opdrachten. Kortom, veiligheid is de belangrijkste drijfveer; positieve effecten op kwaliteit en prestaties volgen daaruit.”
Samenwerken met partners betekent ook dat je binnen je eigen organisatie draagvlak moet creëren.
Verbinding
Vanuit Liander wordt het samenwerken aan verbetering in eerste aanleg aangedreven vanuit data. De graafschadeafdeling krijgt jaarlijks zo’n 450.000 graafmeldingen voor de kiezen. Met behulp van een model worden risico’s bepaald, waarna in circa 15.000 gevallen wordt besloten om op locatie te gaan kijken. Daar ontstaat de verbinding. Boris van der Pijl: “Wij gaan daar naartoe met de vraag: ‘wat heb jij nodig?’ We geven de mensen persoonlijke informatie en advies. Dat is een service aan alle grondroerders, die leidt tot gesprekken over gezamenlijke oplossingen.” Dat werkt overigens niet altijd, zo blijkt uit de aanvulling van Martin Kraaijeveld: “Het wederzijds belang is de basis voor dit soort activiteiten. De effectiviteit ervan zit in de werkafspraken. Het werkt als beperking van graafschades binnen organisaties als KPI (Kritieke Prestatie Indicator) is benoemd. Maar andersom, als het niet gedragen wordt binnen organisaties, is het trekken aan een dood paard.”
Vasthouden
Het is nu zaak de resultaten vast te houden. Dat vergt continue aandacht. Tegelijkertijd wordt al een stap verder gekeken. Boris van der Pijl: “We gaan de informatievoorziening voor grondroerders binnenkort uitbreiden met een kennisbank. Daar vindt men een overzicht van beproefde methodes, die we uiteraard ook steeds optimaliseren als er nieuwe technische oplossingen beschikbaar zijn of aan de hand van ervaringen vanuit het werkveld. Uitgangspunt is dat iedereen met maximaal vier muisklikken een praktisch antwoord heeft.”