Regie op ondergrondse infra een utopie? Het kan wel!

29 oktober 2026

Tijdens het Diner van de Ondergrond klonk de roep om centrale regie op de ondergrondse ­ruimte. TenneT vroeg daarvoor aandacht vanuit hun opgave om circa 1.500 kilometer nieuwe, ondergrondse 110 en 150 kV-verbindingen aan te leggen. De uitbreidings- en vervangings­opgave voor de ondergrondse infrastructuur legt een enorme ruimteclaim op de ondergrond.

De hele kabel- en leidingensector worstelt ermee. Is centrale regie hiervoor een nood­­zakelijke randvoorwaarde? En is het eigenlijk wel mogelijk? We hebben sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw een sprekend voorbeeld. De Leidingen­straat Nederland, die Rotterdam en Antwerpen verbindt, staat onder centrale regie van stichting Leidingenstraat Nederland (LSNED). In een gesprek met algemeen directeur Ferdinand van den Oever blijkt dat die constructie voordelen biedt die de kabel- en leidingensector nu ook zoekt. Het belangrijkste voordeel is dat de beschikbare ruimte optimaal wordt benut. Er is een oplossing gekozen die ruim vijftig jaar na dato ruimtelijk gezien nog steeds toekomst­bestendig is. 

Basisinfrastructuur

LSNED is een organisatie zonder winstoogmerk, die verantwoordelijk is voor beheer en onderhoud van de basisinfrastructuur. De gebruikers zijn verantwoordelijk voor hun eigen assets in de buisleidingenstraat. Daarmee is de rol van LSNed vergelijkbaar met die van ProRail voor het spoor. De petrochemische industrie is van oudsher de grootste afnemer van de ruimte in de leidingenstraat. Daarnaast maken de telecomsector, overheden en nutbedrijven er gebruik van. Het tracé is circa tachtig kilometer lang en heeft een jaar­­­capaciteit van ongeveer 230 miljoen ton. In het tracé zijn tien tunnels en achttien viaducten opgenomen. De leidingenstraat is naast weg, water en spoor een zeer belangrijke vervoersmodaliteit. Een groot deel van de doorvoer vanuit de haven van Rotterdam verloopt via de buisleidingenstraat en ontziet daarmee het transport via weg, water en spoor.

“Het begint met het besef dat we in Nederland voor verschillende modaliteiten aparte tracébeheerders hebben.”

Voor de gebruikers is LSNED aantrekkelijk omdat de leidingstraat actief wordt beheerd. Zo wordt met behulp van radar en satelliet gecontroleerd op ongeoorloofde activiteiten. Dit betekent dat de beschikbaarheid goed geborgd is. Daarnaast kan men snel handelen. Een leiding kan ingepast worden zonder dat er een apart, tijdrovend vergunningentraject nodig is.

Haalbaar of utopie?

Is de aanpak die destijds voor buisleidingen is gekozen ook elders haalbaar? Ferdinand van den Oever schetst een genuanceerd beeld: “Het begint met het besef dat we in Nederland voor verschillende modaliteiten aparte tracébeheerders hebben. ProRail voor het spoor, Rijkswaterstaat voor wegen en waterwegen en voor het vliegverkeer is dat de luchtverkeersleiding. Voor industriële leidingen is er geen centrale tracébeheerder. Er is altijd gezegd: dit gaat om transport van industrie naar industrie en daar is geen regie op nodig. Dat is eigenlijk heel raar. De wagons die op het spoor rijden zijn ook niet van ProRail, laat staan de goederen die erin vervoerd worden. Er is wel degelijk behoefte aan centrale regie op de ondergrondse infrastructuur voor kabels en leidingen. Dat blijkt ook uit het Programma Energie Hoofdstructuur (PEH) uit 2024. Daarin wordt gesteld dat de energietransitie meer ruimte in de fysieke leefomgeving vraagt, terwijl die ruimte beperkt is. Men constateert in dit Rijksbeleidsdocument dat er sprake is van een situatie waarin beslissingen uitsluitend op basis van economische overwegingen worden genomen. Leidingenbeheerders zullen kiezen voor lage aanlegkosten en ongestoord liggen, wat betekent dat men waar mogelijk kiest voor een zo groot mogelijke afstand tot naastgelegen kabels en leidingen om elk risico uit te bannen. Dat leidt tot maximaal ruimtebeslag.

“Er kan wel veel meer dan er nu gebeurt. Het Rijk zou bijvoorbeeld buisleidingenstroken kunnen bestemmen en daarbij regels voor het gebruik kunnen opleggen.”

Er zijn inmiddels ook tal van rapporten die onderschrijven dat dit niet langer houdbaar is. De kern van de opgave is dat we niet alleen tijd en geld, maar ook toekomstbestendigheid – het efficiënt omgaan met de ruimte – leidend laten zijn bij de aanleg van ondergrondse infrastructuur. Het uitgangspunt zou moeten zijn: ‘smal waar het moet en breder waar het kan’. Maar in de praktijk blijft het helaas bij die constatering. Het PEH leidt nog niet tot actie. En het is allang geen vijf voor twaalf meer. Als je alleen al kijkt naar de opgaven voor de Gasunie en TenneT is het nu al twaalf uur als je nog ruimte over wilt houden voor de toekomst.”

Regie pakken

Ferdinand van den Oever noemt het een utopie om te verwachten dat het Rijk net als in de jaren zeventig voor de leidingenstraat grond gaat aankopen voor kabel- en leidingentracés. “Maar er kan wel veel meer dan er nu gebeurt. Het Rijk zou bijvoorbeeld buis­­­leidingenstroken kunnen bestemmen en daarbij regels voor het gebruik kunnen opleggen. Het ministerie beschikt wel degelijk over sturingsmechanismen, bijvoorbeeld bij de aanleg van het waterstofnetwerk. Daar is het ministerie zelf opdrachtgever en opsteller van het inpassingsplan. Zij kan daarbij voorwaarden voor ruimtebeslag opnemen. Ook gemeenten kunnen de regie nemen. Dat kan met behulp van hun kabel- en leidingenverordening. Zij kunnen een dwingend tracé opleggen en de bekostiging van toezicht daarop regelen via de leges.” 

Sturen op beschikbare ruimte

“In Zeeland constateerden enkele gemeenten dat de beschikbare ruimte vol was op basis van de randvoorwaarden van de netbeheerders. Op verzoek van die gemeenten hebben we naar de engineering gekeken en geconstateerd dat er voldoende vrije ruimte was. De voorwaarde daarbij is dat je werkt met centrale regie zoals wij dat in onze leidingenstraat doen. Wij geven aan welke ruimte beschikbaar is. Het is vervolgens aan de eigenaren om de maatregelen te nemen die nodig zijn om een leiding in te passen. In weefvakken is de onderlinge afstand kleiner, waardoor je met bijvoorbeeld een dikkere wanddikte ervoor moet zorgen dat de integriteit van de kabel of leiding gegarandeerd is. Het is vervolgens aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) om dit
te controleren.”

Kopieerbaar concept

De LSNED-directeur denkt dat de aanpak van zijn organisatie in principe kopieerbaar is naar nutsvoorzieningen. “Die bedrijven hebben andere uitdagingen, maar de branche kan ook zelf een stichting oprichten die mandaat en financiering krijgt om tracés te bepalen en optimaal gebruik van de beschikbare ruimte te realiseren. Maar eerlijk gezegd, zie ik ook die optie als vrij utopisch. De individuele belangen zijn simpelweg te groot voor zo’n gezamenlijke oplossing.”

Ferdinand van den Oever is algemeen directeur en uitvoerend bestuurder van stichting Leidingenstraat Nederland (LSNED). ­Daarnaast is hij ­voorzitter van BIG. de Vlaams-­Nederlandse ­vereniging van bedrijven, instellingen en personen die beroeps- of bedrijfsmatig betrokken zijn bij het ­vakgebied buisleidingen. Daarvoor was hij CEO van Havenbedrijf Moerdijk, wethouder in de gemeente Dordrecht en zelfstandig ondernemer.

COB AI