“De constatering dat we te maken hebben met schaarste is herkenbaar”, aldus Martin Wijnen, directeur-generaal Rijkswaterstaat tijdens het Diner van de Ondergrond. Hij blikte vooruit op de Kamerbrief die op 16 oktober aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Zijn betoog onderschrijft de noodzaak om meer grip te krijgen op de kosten van tunnels.
Martin Wijnen schetste een beeld van tegenvaller op tegenvaller en dat er een forse opgave ligt om verouderde infrastructuur in stand te houden. “We hebben te maken met een situatie waarin de restlevensduur van onze assets korter wordt en verstoringen een steeds groter deel van de kosten uitmaken, zonder dat herstel bijdraagt aan verlenging van die levensduur. We staan op het punt dat het niet allemaal kan en zeker niet allemaal tegelijk. Na de discussie over de vorige Staat van de infrastructuur in maart 2026 is er wel iets meer geld beschikbaar. Maar dat zijn niet de miljarden die volgens de Algemene Rekenkamer nodig zijn.
Het gevolg is een afwegingskader met een ranking van welke werkzaamheden prioriteit hebben. De zaagsnede daarin is het beschikbare budget. Voor alles wat boven die zaagsnede uitkomt willen we in een achtjarige planning tot een deal met de markt komen. De door de minister voorgestelde aanpak omvat zeven stappen. Drie van deze stappen gaan over meer doen met hetzelfde geld.
Dat is ten eerste de keuze voor steeds de meest sobere variant, the bare minimum. De tweede gaat over werken aan deregulering en kijken wat het wettelijke minimum is. De derde betreft innovatie vanuit de wetenschap dat de productiviteitsgroei in de infrasector het laagst is van alle sectoren. De minister stuurt aan op een productiviteitsagenda voor en met de sector voor het eind van dit jaar.
Dat is een noodzakelijke eerste stap om alles in de lucht te kunnen houden.”