Loading...

De Onderbreking

Tunnels en veiligheid

Tunnels en veiligheid

Monitoring

Rotterdam, Maastunnel

Visie van… Roel Scholten

Onderbreking Tunnels en veiligheid

Afstudeeronderzoek: veilige tunnel door snelle branddetectie

KPT bloeit en groeit

Amsterdam, Eerste Coentunnel

DBFM contract tweede coentunnel

Chaos creëren om orde te scheppen

Kennisbank

Tunnels en veiligheid

Tunnels zijn wellicht de bekendste voorbeelden van ondergrondse bouwwerken. Het begon in Nederland met afgezonken tunnels om watergangen te kruisen, inmiddels worden ook boor- en landtunnels breed toegepast. Ontwikkelingen in de praktijk vragen om ontwikkeling in kennis en kunde. Ook op het gebied van veiligheid: ondergronds is het waarborgen van veiligheid vaak complexer dan boven de grond.

Nederland is specialist in afgezonken tunnels. Toch is er ook op dit gebied nog voldoende bij te leren. Gezien de hoge leeftijd van de meeste Nederlandse zinktunnels, is renovatie bijvoorbeeld een actuele en dringende opgave, waarover nog veel vragen leven. Daarnaast neemt de complexiteit bij het realiseren van geboorde tunnels toe: in stedelijke gebieden is het prettig als wegen en spoorlijnen ondergronds gaan, maar er is weinig ruimte om te bouwen en de hinder moet minimaal zijn. We willen in complexere situaties ondergronds bouwen, nog dieper en nog dichter bij de bestaande bebouwing.

Veiligheid is dan ook onlosmakelijk met ondergronds bouwen verbonden. Het werken in de grond heeft al snel effect op de omgeving. Bovendien moet de constructie na oplevering veilig te gebruiken zijn. Dat is op zichzelf al een opgave, maar een bijkomende uitdaging is het vooraf aantoonbaar maken van veilig gebruik, en dat in een complex belangenveld. De laatste jaren leidde dat bij tunnels soms tot problemen. Samen met het netwerk wil het COB ervoor zorgen dat nieuwe tunnels voortaan opengaan zonder gedoe.

Monitoring

De afgelopen jaren hebben er in Nederland enkele grote ondergrondse infrastructuurprojecten plaatsgevonden waarbij intensief is gemonitord. De massa aan predicties, meetdata en evaluaties bevat een schat aan informatie over de effectiviteit van de metingen en maatregelen. Het project Monitoring heeft praktijkervaringen van drie projecten inzichtelijk gemaakt in een rapport om zo toekomstige infraprojecten in binnenstedelijk gebied verder te helpen.

De Noord/Zuidlijn in Amsterdam, Spoorzone Delft en A2 Maastricht: drie grote tunnelprojecten in (binnen)stedelijk gebied, waarbij een intensief monitoringsprogramma is toegepast. Vooraf zijn er uitgebreide berekeningen gemaakt voor de te verwachten impact van de werkzaamheden op de omgeving. Vervolgens wordt tijdens de uitvoering met monitoring vastgesteld of de predicties kloppen. Wijken de meetwaarden te veel af, dan wordt de bouwmethode bijgesteld. Nu deze projecten voor een groot deel klaar zijn, is er een enorme hoeveelheid data beschikbaar, waaruit veel te leren valt. Het COB heeft daarom een werkgroep samengesteld om voor elk project vijf aspecten te beschrijven: (1) ontwerp- en (2) monitoringsfilosofie, (3) gemaakte predicties, (4) verzamelde meetdata en (5) aanpassingen bouw- en/of monitoringsproces. Deze verhalen vormen samen een document dat als hulpmiddel kan fungeren voor vergelijkbare projecten in de toekomst.

De auteurs van het rapport, van links naar rechts: Mandy Korff, Jan van Dalen, Bjorn Vink, Joost Joustra, Thomas Bles en Hans Mortier. (Foto: COB)

Op het gebied van monitoring bestaan al drie belangrijke publicaties: COB-F530 Aanbevelingen voor het ontwerp van bouwkuipen in stedelijke omgeving, CUR-223 Richtlijn meten en monitoren van bouwputten en de handreiking Observational method. Bij A2 Maastricht, Spoorzone Delft en de Noord/Zuidlijn werd de monitoring uitgewerkt volgens deze documenten. Ondanks het gelijke uitgangspunt, waren de monitoringssystemen en de verkregen resultaten onderling soms sterk verschillend. Op diverse punten werd geconstateerd dat de monitoring geoptimaliseerd kon worden. Het nieuwe rapport biedt hiervoor handvatten in de vorm van best practices en geleerde lessen.

De volgende experts nemen deel aan de werkgroep:

  • Spoorzone Delft: Hans Mortier (voorzitter, Dimco)
  • Boorgedeelte Noord/Zuidlijn: Joost Joustra (voorheen Witteveen+Bos, nu JCPM)
  • Diepe bouwputten Noord/Zuidlijn: Thomas Bles en Mandy korff (Deltares)
  • A2 Maastricht: Jan van dalen (Strukton) en Bjorn Vink (Sweco)

Elk hoofdstuk is steeds gereviewd door de andere experts. Daarnaast heeft Erwin de Jong (Geobest) het rapport nagekeken vanuit het perspectief van de observational method.

Rotterdam, Maastunnel

Ingang Maastunnel (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

De Maastunnel in Rotterdam is niet alleen de oudste grote verkeerstunnel van Nederland, het is ook de eerste Nederlandse tunnel die is gebouwd volgens de afzinkmethode. De tunnel kruist de Nieuwe Maas en bestaat uit een rechthoekige koker waarin verschillende tunnelbuizen zijn gecombineerd. Naast twee buizen van circa zeven meter breed met twee rijstroken voor het autoverkeer gaat het om twee kleinere buizen voor fietsers en voetgangers. Deze twee buizen zijn bijna vijf meter breed en liggen boven elkaar. Ze zijn bereikbaar via roltrappen.

De aanleg van de Maastunnel was nodig om de bereikbaarheid van de Maasoevers te verbeteren, zonder hinder te veroorzaken voor het scheepvaartverkeer. De tunnel is in de eerste plaats een indrukwekkend civieltechnisch werk. Door de markante ventilatiegebouwen, de toegangsgebouwen en de fiets- en voetgangerstunnel, vormgegeven door stadsarchitect Van der Steur, is de tunnel ook een opmerkelijke architectonische verschijning.

Techniek

De toepassing van rechthoekige tunnelelementen was in 1937 een wereldprimeur. Tot dan toe werden voor afzinktunnels ronde elementen gebruikt met een diameter van maximaal tien meter. Men vreesde namelijk dat rechthoekige tunnels niet goed zouden zijn te funderen. Bij de Maastunnel werd het risico van een gebrekkige fundering geminimaliseerd door een nieuwe techniek toe te passen, het zogeheten onderspoelen. Na plaatsing van de elementen werd er zand onder en naast de tunnel gespoten om eventueel aanwezige holle ruimten onder de tunnel op te vullen. Deze techniek is sindsdien steeds verder verbeterd en wordt nog steeds gebruikt bij afzinktunnels, zoals bij de afzinktunnel onder het IJ van de Noord/Zuidlijn.

De negen afgezonken elementen van de Maastunnel zijn ruim zestig meter lang, negen meter hoog en vijfentwintig meter breed. Ze zijn gebouwd in een droogdok en vervolgens via water naar de tunnellocatie gesleept. Daar zijn ze afgezonken in een gebaggerde sleuf van maximaal drieëntwintig meter diep.

De Maastunnel heeft enkele opvallende kenmerken. Zo is rond de betonnen constructie een stalen bekleding gemaakt om lekkage te voorkomen. Een ander opvallend kenmerk is dat de ventilatiekanalen niet boven de tunnelbuizen zitten, maar onder het wegdek.

Ventilatiegebouw. (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Renovatie

Tijdens onderhoud aan de ventilatiekanalen in 2011 bleek dat ze zijn aangetast door betonrot, evenals de vloer van de autotunnels. Gezien de ernst van de aantasting dacht de gemeente Rotterdam in eerste instantie dat de tunnel in 2015 een jaar volledig dicht zou moeten voor herstel. Nader onderzoek toonde aan dat de schade minder ernstig is en er meer tijd was voor de herstelwerkzaamheden.

In de zomer van 2017 is de renovatie en restauratie gestart. De gemeente reserveerde 262 miljoen euro hiervoor. De dochterondernemingen Croon, Mobilis en Wolter & Dros van Bouwgroep TBI hebben de werkzaamheden uitgevoerd. Een van de uitdagingen was dat de ruim zeventig jaar oude tunnel een rijksmonument is. Dat betekent onder meer dat de ‘look and feel’ van de tunnel behouden moest blijven en authentieke elementen niet verloren mochten gaan. Op maandag 19 augustus 2019 was de renovatie en restauratie klaar en gingen beide tunnelbuizen weer open voor verkeer.

Bij de grootschalige renovatie zijn onder meer de bestaande rijvloeren verwijderd en vervangen door nieuwe. Verder werden er nieuwe installaties aangebracht voor bijvoorbeeld de ventilatie, de intercominstallatie en de verkeersdetectie en -signalering. Dit was nodig om te voldoen aan de wettelijke eisen op het gebied van tunnelveiligheid. Ook is de bedieningscentrale verplaatst naar de gemeentelijke verkeerscentrale bij het knooppunt Kleinpolderplein.

Voorafgaand aan de renovatie vonden in de eerste drie maanden van 2016 voorbereidende werkzaamheden plaats. Het ging hierbij om het verwijderen van de plafondcoating en de zwakke plekken in het beton van de plafonds. Ook de zogeheten schampkanten (het onderste deel van de tunnelwanden) zijn weggehaald. Er werd nieuw beton aangebracht en de geroeste wapening is gezandstraald en opnieuw gecoat. Deze werkzaamheden zijn ’s nachts en in de weekenden uitgevoerd.

Tijdens de voorbereidende en de renovatiewerkzaamheden is steeds één tunnelbuis afgesloten voor verkeer. De andere tunnelbuis was alleen te gebruiken voor verkeer van zuid naar noord. Hiervoor is gekozen om de binnenstad en het Erasmus Medisch Centrum goed bereikbaar te houden. Verkeer van noord naar zuid werd omgeleid via de Erasmusbrug, de Willemsbrug en de ring. Om de verkeersoverlast te minimaliseren, ontwikkelde de gemeente een bereikbaarheidsplan. De voetvoetgangers- en fietstunnel bleven tijdens de renovatiewerkzaamheden gewoon open. Deze twee tunnels worden, evenals een aantal andere ruimten van de tunnel, in 2019 en 2020 aangepakt.

Afzinkspecialist

Sinds de bouw van de Maastunnel heeft Nederland zich ontwikkeld tot de mondiale afzinkspecialist. Van de ruim vijftig afzinktunnels in Europa liggen er eenendertig in ons land (zie het boek ’40 jaar passie voor ondergronds bouwen’, p. 35). De bouw van deze tunnels heeft de kennisontwikkeling een enorme impuls gegeven en geleid tot allerlei innovaties. Denk aan het GINA-profiel dat zorgt voor een waterdichte aansluiting van de tunnelelementen, en koeling van beton om scheurvorming bij de productie van tunnelelementen te voorkomen. Wereldwijd maken landen gebruik van de Nederlandse expertise.

Nog lang niet uitontwikkeld

Sinds 2015 was Roel Scholten COB-coördinator Tunnels en veiligheid. Hierbij stelde hij innovatie en doorontwikkeling van de sector steeds centraal. In april 2017 stopte hij bij het COB om voor ZuidPlus als ontwerpleider tunneltechnische installaties te gaan werken aan de tunnels van Zuidasdok. Betekent dit dat de sector is uitontwikkeld? “Integendeel,” zegt Roel, “we staan pas aan de vooravond van de grote innovaties!”

“In een rapport van februari 2017 stelt het McKinsey Global Institute dat productiviteitsgroei in de bouwsector ongeveer een derde is van de wereldwijde groei. En de bouwsector in Europa stond begin 2016 op de laatste plek in de lijst van digitalisering van sectoren. Terwijl de uitdagingen voor de bouwsector, en specifiek de infrasector, juist vragen om innovatie en verhoogde productiviteit: met de aankomende tunnelrenovaties in Nederland, moeten we oplossingen ontwikkelen om de enorme maatschappelijke impact die afsluitingen van deze tunnels zullen veroorzaken, voor te blijven.

De ontwikkeling van virtual en augmented reality (VR) zal al op korte termijn een rol spelen. Hierdoor kunnen we vroeg in het project ontwerpoplossingen valideren met belanghebbenden, of ontwikkelde software volledig testen voordat de tunnel fysiek is gerealiseerd. En natuurlijk zal het opleiden, trainen en oefenen (OTO) van de tunnelorganisatie met VR veel realistischer en zonder afsluitingen kunnen plaatsvinden. Maar ook los van VR helpen allerlei digitale tools ons nú al, bijvoorbeeld bij het genereren van ontwerpdocumenten, geautomatiseerd uitvoeren van cyclische ontwerpstappen en het doorrekenen van impact van onderhoudsactiviteiten.

Voor onderhoud zal de toepassing van sensoren en bijbehorende data-analyse ons veel informatie geven over de actuele technische staat van het areaal. Hierdoor kunnen we nog beter de degradatie van onze systemen gaan begrijpen en dat helpt ons om precies op tijd in te grijpen en onderhoudsregimes toe te passen waarbij, afhankelijk van de wens van de beheerder, geoptimaliseerd wordt op kosten, beschikbaarheid en/of betrouwbaarheid. In de uitvoering verwacht ik veel van ontwikkelingen op het gebied van prefab, waardoor werkzaamheden on-site worden beperkt en de kwaliteit van onderdelen zal toenemen, doordat ontwikkeling in een beter te controleren omgeving gebeurt.

Innovaties hebben echter alleen meerwaarde als deze toegepast worden door mensen met verstand van zaken. Binnen NedMobiel zeggen we: ‘Je moet wel ooit een tunnel van binnen hebben gezien om te snappen wat je er wel en niet mee kunt’. Ik ben ervan overtuigd dat innovaties versneld ontwikkeld en getoetst worden in projecten. Dat is een van de redenen dat ik met veel plezier ja heb gezegd tegen ZuidPlus: goed om weer van die kant bovenop de ontwikkelingen te zitten!”

Roel Scholten is medeoprichter en directeur van Ned- Mobiel. NedMobiel is vanuit tunnelveiligheid, assetmanagement, OTO of projectmanagement betrokken bij o.a. de Zuidas, Blankenburgtunnel, Gaasperdammertunnel, Stadsbaantunnel, RijnlandRoute , tunnels van Schiphol, Abdijtunnel en de Piet Heijntunnel.

Foto: Vincent Basler

Optimalisaties tunnelveiligheid light rail

Tijdens de bijeenkomsten van het platform Veiligheid bleek er behoefte te bestaan aan een verkenning van optimalisaties van de veiligheid bij spoortunnels voor tram- en metrolijnen (light rail). Welke wet- en regelgeving is van toepassing? Wat zijn knelpunten en hoe ga je hiermee om? De werkgroep V150 heeft hiervoor een publicatie opgesteld.

In de eerste helft van 2014 heeft het platform Veiligheid een tweetal bijeenkomsten gewijd aan railveiligheid. Aan de hand van praktijkvoorbeelden werd er gekeken naar zowel heavy rail (trein) als light rail (tram, metro). Tijdens de afsluitende discussies kwamen vier zaken naar voren:

  • De regelgeving rondom rail-infra is complex, onbekend en onvolledig ten opzichte van de regelgeving rondom wegtunnels.
  • Er zijn veel stakeholders betrokken bij het vergunningverleningsproces
  • Kan het proces van vergunningverlening niet efficiënter worden georganiseerd?
    Kunnen we niet toe met minder regels?

Daarnaast kwam de komst van de Wet Lokaal Spoor (WLS) ter sprake. Deze wet is in werking getreden per 10 juli 2013, maar de meeste artikelen zijn pas per 1 december 2015 van kracht.

Een subgroep vanuit het platform heeft daarom de verkenning ‘Optimalisaties tunnelveiligheid light rail’ uitgevoerd. Deze verkenning had de volgende doelen:

  • Een kennispublicatie opstellen over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Met name de gevolgen van de implementatie van de
  • WLS moeten inzichtelijk worden gemaakt, maar de publicatie dient ook een doorkijk te geven naar de regelgeving rond heavy rail.
  • Identificeren van witte vlekken en knelpunten in de regelgeving (hoe moeten we hier mee omgaan?).
  • Het benoemen van een aantal oplossingsrichtingen om het proces rondom railtunnelveiligheid te optimaliseren.

De verkenning heeft zich met name gericht op bevoegd gezag, beheerders, vervoerders, veiligheidsregio’s en hulpdiensten, en in mindere mate op bouwers en adviseurs. De tunnelveiligheid staat centraal en niet de (ook belangrijke) aspecten rondom railveiligheid.

Resultaat

In december 2015 is de publicatie Gevolgen inwerkingtreding Wet lokaal spoor opgeleverd. Het kennisdocument geeft een overzicht van de meest relevante artikelen uit de wet- en regelgeving die van toepassing is op tram-, metro-, en lightrailtunnels. Ook gaat de publicatie in op de invulling en het gebruik van instrumenten die voorgeschreven worden. Het rapport presenteert bovendien een aantal aanbevelingen en aandachtspunten. Zo adviseert de werkgroep om in regelgeving een methode voor de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) vast te leggen. Ook worden er vervolgstappen voorgesteld, zoals het formeren van (een) werkgroep(en) voor het opstellen van handleidingen die opgenomen kunnen worden in de regelgeving.

Deelnemers

Klik op het bedrijfslogo voor de deelnemende personen

Brandweer Amsterdam-Amstelland

Locatie: Amsterdam, Karspeldreef 16
Ron Beij, rol: Projectleider

COB

Locatie: Delft, Van der Burghweg 1
Simone Abel, rol: Secretaris

Covalent

Locatie: Amersfoort, Displayweg 3
Hans Dijkema, rol: Lid

Croonwolter&dros

Locatie: Rotterdam, Marten Meesweg 25
Edwin Luijt, rol: Lid

Gemeente Amsterdam Metro en Tram

Locatie: Duivendrecht, Entrada 600
Hugo de Jong, rol: Spreker

h3mhuijben Consultancy

Locatie: Baarn, Schoolstraat 18
Hans Huijben, rol: Lid

NedMobiel

Locatie: Breda, Haagweg 1
Roel Scholten, rol: Coordinator

Royal HaskoningDHV

Locatie: Nijmegen, Jonkerbosplein 52
Thijs Ruland, rol: Lid

Soltegro

Locatie: Capelle Aan Den Ijssel, Rivium Quadrant 159
Leen van Gelder, rol: Adviseur

Vervoerregio Amsterdam

Locatie: Amsterdam, Weesperstraat 111
Robert Sirks, rol: Deelnemer

Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs

Locatie: Amsterdam, Hoogoorddreef 15
Aryan Snel, rol: Lid

Zalm Advies Eur Ing

Locatie: Rotterdam, Kerstant van den Bergelaan 37-b
Albert van der Zalm, rol: Lid

Veilige tunnel door snelle branddetectie

Tunnelbranden kunnen catastrofaal zijn in relatie tot mensenlevens en de tunnel zelf. Tijdige en accurate branddetectie is een elementaire voorwaarde om branden te kunnen beperken en te bestrijden. Marina Fragkopoulou, masterstudent aan de TU Delft en onderzoekstagiaire bij Deerns, onderzoekt de werking van state-of-the-artbrandmeldsystemen.

Door de toenemende stedelijke ontwikkeling en bevolkingsgroei, wordt verwacht dat de komende twintig tot dertig jaar snelwegen en andere infrastructuur een kritisch breekpunt bereiken ten aanzien van hun capaciteit. Dit resulteert in veel tunnelbouwprojecten in de komende tien tot vijftien jaar. Momenteel kent Europa al meer dan 15.000 kilometer aan operationele tunnels voor transport. Hoewel ongelukken door tunnelbranden minder vaak voorkomen dan ongevallen op open wegen, kan hun effect significant ernstiger zijn. Dit heeft te maken met de kritische basisfactoren van een tunnel:

  • Gesloten omgeving
  • Beperkte vluchtrichtingen
  • Noodzaak tot zelfredzaamheid
  • Menselijke factor

De menselijke factor is zeer moeilijk voorspelbaar. Om de zelfredzaamheid te verbeteren en mensen meer vluchttijd te geven, is het noodzakelijk branden vroegtijdig te detecteren.

Door een toenemende bewustzijn van de risico’s bij tunnelbranden, zijn er nieuwe veiligheidsmaatregelen en regelgevingen geïntroduceerd op nationaal en internationaal niveau. Veel Europese landen worden geconfronteerd met de verplichting tunnels te renoveren waar deze als ‘onveilig’ worden bestempeld. Renovatie kan voor stakeholders echter ongewenst en te kostbaar zijn. De studie van Marina richt zich daarom op alternatieve oplossingen om het gewenste veiligheidsniveau te bereiken.

Doel van het onderzoek

Initieel onderzoek wijst uit dat vroegtijdige branddetectie een van de meest belangrijke aspecten is van brandveiligheid in tunnels. Het doel van de studie is te verifiëren of meer geavanceerde technieken die een snelle reactietijd hebben een compromis kunnen zijn voor de huidige veiligheidseisen in de standaarden. Marina onderzoekt het effect van een technologisch geavanceerd systeem op de detectietijd en daarmee op het totale evacuatieproces.

Er worden drie type detectiesystemen onderzocht:

  • Lineaire hittedetectie (LHD): een continue hittedetectiekabel die over de volledige lengte van de tunnel hitte detecteert.
  • Meervoudige gasdetectie (MGD): sensoren die brandgerelateerde gassen detecteren in een vroege fase van de brandontwikkeling.
  • Gesloten-circuit camerasysteem (CCTV): de omgeving met camera’s in de gaten houden om brand te detecteren.

Marina heeft brandsimulatiesoftware (fire dynamics simulator, FDS) gebruikt om diverse scenario’s met branden te simuleren en de werking van elk branddetectiesysteem te onderzoeken. De FSD bevat standaard geen opties voor het modelleren van nieuwere warmte- en rookdetectiesystemen. De LHD moest bijvoorbeeld gemodelleerd worden als een rij met losse detectoren. Via leveranciers kon Marina de juiste parameters achterhalen, zoals de alarmdrempels. Met praktijktestresultaten heeft ze de modellen kunnen valideren.

De detectiesystemen worden getest op drie type brandhaarden. De omvang van de brand (heat release rate, in megawatt) volgt uit praktijkproeven:

  • Passagiersauto – 10MW
  • Bus – 30MW
  • Zwaar transportvoertuig -200MW

Simulaties van twee scenario’s: de rookontwikkeling bij een brandende auto (boven) en een brandende zware goederenvrachtwagen. (Beelden: Marina Fragkopoulou)

De brandhaarden worden gecombineerd met verschillende ventilatiecondities, windcondities en tunnelgeometrie. Dit is bijvoorbeeld van belang om te kunnen bepalen bij welke instellingen de detectoren geen vals alarm geven. In een afgesloten ruimte zoals een tunnel kunnen warmte en gassen van voertuigen al snel leiden tot hoge temperaturen en hoge concentraties van giftige stoffen, waardoor het alarm onterecht zou kunnen afgaan. De rol van het ventilatiesysteem is dan ook belangrijk om mee te nemen.

Resultaten

Testen met de branddetectoren hebben reeds interessante resultaten opgeleverd aangaande de reactie onder bepaalde condities. Zo lijken het type ventilatiesysteem en de luchtstroming inderdaad van grote invloed te zijn. Een sterke luchtstroming in de lengterichting van de tunnel heeft veel effect op warmtedetectoren die geactiveerd worden op basis van temperatuurstijging of een absolute temperatuurdrempel. Bovendien wijzen de resultaten erop dat de prestatie van een detector sterk afhangt van het brandscenario. Bij een autobrand lijkt detectie bijvoorbeeld minder effectief omdat de temperatuur langzaam stijgt, waardoor het systeem soms niet binnen drie minuten reageert: de reactiesnelheid die minimaal noodzakelijk is om het gewenste veiligheidsniveau te bereiken. Aan de andere kant is MGD bij dit scenario juist wel effectief. Hiermee kan brand vaak al binnen twee minuten gedetecteerd worden.

Het onderzoek leidt tot een gevalideerd model dat diepgaand inzicht geeft in de werking en prestaties van detectiesystemen onder invloed van externe factoren. De opzet van de studie maakt het mogelijk om meer brandscenario’s en nieuwe detectietechnologieën te onderzoeken met gevalideerde simulaties. Tunnelontwerpers kunnen op basis hiervan prestatiegerichte keuzes maken ten aanzien van de veiligheid, zoals voor het branddetectiesysteem, de interactie tussen de detectoren en het ventilatiesysteem, de verwachtte reactietijd en de impact op het evacuatieproces. Zo wordt duidelijk welke inrichting best passend is bij een brandscenario.

Kennisplatform Tunnelveiligheid bloeit en groeit

Wat hoofdzakelijk begon als loket voor vragen is inmiddels een belangrijk knooppunt voor het uitwisselen van kennis en het leren van ervaringen. Sinds de start eind 2013 neemt het aantal bijeenkomsten van het Kennisplatform Tunnelveiligheid (KPT) gestaag toe, evenals het aantal gestelde vragen en het aanbod aan kennisdocumenten en dossiers. Verschillende media hebben het KPT al gevonden, er komen zelfs experts uit het buitenland. Tijd voor een terugblik op één jaar KPT.

Bij het in werking treden van de gewijzigde Tunnelwet op 1 juli 2013 werd de Commissie Tunnelveiligheid opgeheven. De adviestaak van de Commissie ging over naar de veiligheidsbeambten; voor de kennistaak werd het Kennisplatform Tunnelveiligheid (KPT) opgericht. Een onafhankelijke organisatie die algemene (geen projectspecifieke) vragen over tunnelveiligheid beantwoordt, proactief kennis deelt en uitwisseling van informatie organiseert. Hoewel er door de gewijzigde Tunnelwet en de bijbehorende Tunnelstandaard meer dan genoeg vragen leven in de sector, is het opstarten van een platform geen vanzelfsprekendheid. Een nieuwe instantie zou de situatie juist nog complexer kunnen maken. Er is daarom ruim tijd uitgetrokken voor het leggen van een goede basis.

In de opstartfase zijn gesprekken gevoerd met diverse gerelateerde partijen, zoals het IFV, instanties van Rijkswaterstaat (Steunpunt Tunnelveiligheid, Landelijk Tunnelregisseur – LTR, Bureau Veiligheidsbeambte) en het COB. Ook heeft het KPT gesproken met tunnelbeheerders, bevoegde gezagen en andere potentiële klanten om de behoeften goed in kaart te brengen. Vervolgens zijn de missie, visie en doelstelling van het KPT vastgesteld, werkprocessen uitgeschreven en experts geselecteerd voor de expertpool.

In het voorjaar van 2014 ging het KPT ‘live’ met de lancering van de website. Voor de kennisbank is slim gebruikgemaakt van de kennisbank van het COB, waardoor gelijk een ruime hoeveelheid informatie over tunnelveiligheid beschikbaar is gesteld. Doorlopend worden er nieuwe documenten en kenniswebsites toegevoegd. Daarnaast publiceert het KPT de ingekomen vragen en bijbehorende antwoorden op de website (in algemene en anonieme vorm). Begin 2015 waren er meer dan veertig vragen en antwoorden online na te lezen. Gemiddeld krijgt de website zo’n tweehonderdvijftig bezoekers per maand. De LinkedIn-pagina doet het ook goed: elk geplaatst bericht trekt ongeveer vijftienhonderd bezoekers.

Op LinkedIn werd onder meer verslag gedaan over het bezoek uit China.

Kerntaken

Het beantwoorden van vragen is een belangrijke kerntaak. Het KPT maakt hiervoor gebruik van de opgebouwde bibliotheek en/of experts. Het afgelopen jaar is het KPT achttien keer benaderd door zestien verschillende organisaties/personen. Er werden in totaal zo’n veertig vragen gesteld, waarvan het merendeel rechtstreeks door het KPT kon worden beantwoord; in enkele gevallen werd doorverwezen naar marktpartijen of naar het Steunpunt Tunnelveiligheid van Rijkswaterstaat.

Het KPT heeft ook als taak om op basis van gesprekken en inkomende vragen de kennisbehoefte te identificeren. Dit heeft geleid tot drie dossiers: files in tunnels, alternatieve brandstoffen en veranderde wet- en regelgeving bij het spoor (in relatie tot tunnels). Enerzijds zijn dit online dossiers met artikelen en verwijzingen, anderzijds organiseert het KPT bijeenkomsten over deze onderwerpen. Zo was er in december 2014 een kennissessie over files in tunnels en in maart 2015 over alternatieve brandstoffen (zie kaders). De online dossiers zijn vervolgens verder aangevuld.

De KPT-bijeenkomsten dienen ook voor het op peil brengen en onderhouden van een netwerk van tunnelprofessionals, opdat zij elkaar weten te vinden met kennisvragen over tunnelveiligheid. Bevoegde gezagen van tunnels komen inmiddels geregeld bij elkaar om ervaringen uit te wisselen. Om het netwerk verder uit te breiden, geeft het KPT presentaties op bijeenkomsten van anderen, zoals bij het Platform Veiligheid van het COB, bij de Fedet en op de Nationale Tunnelconferentie. Het KPT vraagt daarnaast de aandacht via relevante tijdschriften en nieuwsbrieven. In de nieuwsbrieven van het COB, IFV, NL Ingenieurs en STV-LEC komt het KPT steeds vaker aan bod.

Het team van het KPT: coördinator Roel Scholten, experts Leen van Gelder en Ron Beij, en managementassistent Simone Abel.

Schuiven en uitbreiden

In 2015 richt het KPT zich vooral op verdere versteviging van wat in 2014 is opgezet. De nadruk zal daarbij liggen op de netwerkfunctie, omdat het KPT heeft geconstateerd dat daar de meeste vraag naar is. Mogelijke onderwerpen voor nieuwe bijeenkomsten zijn renovatie en instandhouding, virtueel testen en integraal ontwerpen. Het KPT gaat bovendien de kennisbehoefte in de sector onderzoeken om een agenda voor 2016 voor te bereiden.

Vanuit de politiek en beleidsmakers heeft het KPT ook de specifieke vraag gekregen om ook bij te dragen aan het voorlichten van automobilisten over incidenten in een tunnel. Hiertoe is reeds een voorstel in de maak voor verbetering van het theorieboek van de ANWB voor het rijexamen. Omdat ook Rijkswaterstaat met dit onderwerp bezig is, wordt voor een nadere invulling van de publieksvoorlichting met hen en het Steunpunt Veiligheid opgetrokken.

Amsterdam, Eerste Coentunnel

De Eerste Coentunnel is meer dan veertig jaar oud. (Foto: Kees Stuip Fotografie)

In mei 2013 ging de Tweede Coentunnel open voor het verkeer. Dat was het moment waarop de renovatie begon van de pal ernaast gelegen Eerste Coentunnel. Deze afzinktunnel onder het Noordzeekanaal stamt uit 1966 en moet nodig worden gemoderniseerd om weer vijftig jaar op een goede en veilige manier het autoverkeer over de A10 tussen Amsterdam en Zaandam te kunnen verwerken. De tunnelconstructie wordt gerenoveerd en er worden maatregelen genomen om de luchtkwaliteitsbeheersing te verbeteren. Verder krijgt de tunnel alle verkeers- en tunneltechnische installaties die in de Tweede Coentunnel zijn toegepast om te voldoen aan de eisen van de nieuwe tunnelstandaard.

De renovatie wordt in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd door het consortium Coentunnel Company en is onderdeel van het DBFM-contract ‘Capaciteitsuitbreiding Coentunnel’ dat loopt tot 2037. De planning is dat de gerenoveerde tunnel medio 2014 in gebruik wordt genomen. Dan biedt deze tunnel drie vaste rijbanen voor het wegverkeer dat in zuidelijke richting rijdt, van Zaandam naar Amsterdam.

Werkzaamheden

Er is gestart met sloopwerkzaamheden. Alle tegels van de wanden zijn verwijderd evenals stukken beton die niet meer voldeden, het wegdek en alle oude kabels, leidingen en installaties. De wanden zijn voorzien van een onderhoudsarme betonnen afwerklaag en deels van brandwerend materiaal om te zorgen dat de tunnel bij een eventuele brand zijn constructieve integriteit behoudt. Ook de plafonds zijn voorzien van (hergebruikt) hittewerend materiaal.

(Foto: Kees Stuip Fotografie)

Voor het verbeteren van de luchtkwaliteitsbeheersing in de tunnel is de open dakconstructie bij de tunnelmonden vervangen door dichte ‘plafonds’. Verder is een schoorsteen van 25 meter hoog gebouwd die de uitlaatgassen uit de tunnel moet afvoeren. Om de plafonds te kunnen maken, moest een aantal betonnen stempels bij de tunnelmonden worden verwijderd. Een tijdelijke stempelconstructie – die de functie van de stempels overnam – zorgde er tijdens de bouwfase voor dat de hoge wanden niet naar binnen werden gedrukt en de tunnel ondertussen toegankelijk bleef voor het werkverkeer.

Door het verwijderen van de betonnen stempels en andere sloopwerkzaamheden nam het gewicht van de tunnelconstructie tijdelijk fors af. Daardoor bestond de kans dat de constructie door het grondwater omhoog zou worden gedrukt. Om dat te voorkomen, zijn stapels stalen rijplaten als extra gewicht op de tunnelvloer gelegd.

De tunnel wordt voorzien van diverse installaties die zorgen voor een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer. Daarbij gaat het om camera’s, matrixborden boven de weg, verplaatsbare informatiepanelen en sensoren in het wegdek die registreren of het verkeer rijdt of stilstaat. Verder krijgt de tunnel ventilatoren die bij brand de rook uit de tunnel afvoeren, brandbluspompen die automatisch aangaan en licht- en geluidsignalen die passagiers richting de vluchtwegen leiden. De aansturing van al deze installaties gebeurt met een geavanceerd bedienings- en besturingssysteem.

Aanpak

Vanwege de korte periode waarin de renovatie en het testen van alle installaties moeten zijn afgerond, is het cruciaal dat alle werkzaamheden in één keer goed gaan. Dat vereist een goede engineering en bouwfasering. De Coentunnel Construction, de uitvoerende organisatie onder de Coentunnel Company, heeft hiervoor ingenieursbureau Sophia Engineering ingeschakeld.

Het ontwerpteam heeft bij de engineering al rekening gehouden met alle installaties en kabels en leidingen, zodat de kans op onaangename verrassingen tijdens de uitvoering minimaal is. Verder is er een driedimensionaal model gemaakt, waarin alle werkzaamheden in de tijd zijn gevisualiseerd. Dit model zorgt er niet alleen voor dat de fasering helder is, maar geeft direct inzicht in de complexe aanpassingen van de betonvormen van de schoorsteenconstructie en laat zien welke raakvlakken er zijn tussen de verschillende werkzaamheden

'De businesscase is gebaseerd op beschikbaarheidsafspraken'

Binnenkort wordt de Tweede Coentunnel opgeleverd. Dan zal blijken of de DBFM-constructie, die erop neerkomt dat Rijkswaterstaat de tunnel voor 24 jaar leaset, aan de verwachtingen voldoet. Gerard Minten, CEO van de Coentunnel Company: “Het DBFM-concept is goed als je exact weet wat je gaat doen. De investeerders willen weten waar ze aan toe zijn en eisen duidelijkheid.”

De financiële component in de contractvorm vergt een specifieke aanpak. Gerard Minten vervolgt over de noodzaak om investeerders vooraf zo nauwkeurig mogelijk te kunnen vertellen wat het project behelst: “Natuurlijk is het zo dat je ondergronds altijd met onvoorspelbare componenten te maken hebt, maar dat kun je inpassen. Wat je niet kunt doen, is onderweg de spelregels veranderen.”

Een volledig voorspelbaar project leidt tot de vooronderstelling dat DBFM tot optimalisatie en lagere kosten leidt. De eindafrekening kan uiteraard pas over vierentwintig jaar worden gemaakt, maar Gerard Minten noemt al wel de verschillende invloedsfactoren: “De financieringskosten zijn juist hoger, omdat je als marktpartij nooit kunt lenen tegen het rentepercentage dat de overheid krijgt. Daar staat het voordeel tegenover dat de aannemer kan optimaliseren. Die twee aspecten kun je niet zomaar salderen. Verder geeft de financieringscomponent een heel andere dimensie aan een project als de Tweede Coentunnel. De financiers steken er vijf jaar lang geld in, voordat de geldstroom vanuit Rijkswaterstaat gaat lopen. Dat is een belangrijk drukmiddel voor tijdig opleveren. Daarnaast volgt optimalisatie uit de afspraak om te betalen op basis van beschikbaarheid.”

“In het contract zijn boetes opgenomen voor wegafsluitingen, falen van technische systemen en dergelijke. Daarbij hoeft overigens geen sprake te zijn van fysieke afsluiting. Ook ‘virtueel dicht’ kan leiden tot boetes. De beschikbaarheidsafspraken leiden tot het eventueel dubbel uitvoeren van systemen en een sterke focus op kwaliteit van materialen voor de lange termijn. Daar is de businesscase op gebaseerd. De onderaannemer neemt het risico dat hij bouwt voor een vast bedrag. De Special Purpose Company (zie kader) is zoveel mogelijk risicovrij.”

Kwalitatief rendement

Een tweede vooronderstelling is dat de DBFM-aanpak innovatie voedt en leidt tot slimme oplossingen. Dat zet de deelnemende aannemer op voorsprong, omdat hij dergelijke innovaties elders weer toe kan passen. De praktijk blijkt weerbarstiger. Gerard Minten: “Een groot deel van bijvoorbeeld de Tunnelstandaard is gelijktijdig met de bouw van de Coentunnel ontwikkeld. We hebben tijd en ruimte gekregen om zaken samen met Rijlswaterstaat uit te zoeken. Toch blijkt het blijven voldoen aan de contractuele verplichtingen een zwaardere stempel te drukken op innovaties dan de mogelijke verbetering van de concurrentiepositie van deelnemende partijen.”

Slimme oplossingen als gevolg van de DBFM-aanpak doen zich wel degelijk voor. Gerard Minten: “Het denken vanuit zo min mogelijk afsluitingen leidt tot verbeteringen. Zo zijn de tunneltechnische installaties (TTI’s) bij de Tweede Coentunnel geconcentreerd op een aantal goed bereikbare plekken in het middentunnelkanaal en is ledverlichting toegepast om onderhoud te beperken. Ook buiten de tunnel zijn de verkeerstechnische installaties geconcentreerd in de VTI-huisjes langs de weg. Daardoor is slimmer onderhoud mogelijk. Het zijn optimalisaties die nog tijdens het bouwproces zijn doorgevoerd, omdat duidelijk werd dat je het risico op afsluitingen verkleint.”

De verkeerstechnische installaties zijn geconcentreerd in VTI-huisjes langs de weg. (Foto: Coentunnel Company)

Juridificering

De financiële component verhoogt risico’s en daarmee de noodzaak om die risico’s zo veel mogelijk af te dekken. Een DBFM-contract leidt dan ook tot hogere juridische kosten. Gerard Minten geeft aan dat de transactiekosten ongeveer drie procent van de investering bedragen, het dubbele van een contract zonder F-component. “In ons consortium-businessmodel houden we daar rekening mee. Bij consortiumpartner Vinci hebben we bijvoorbeeld een grote concessietak die met tientallen projecten wereldwijd al heel veel ervaring heeft met deze werkwijze. Vanwege dat hoge percentage transactiekosten zijn projecten van 500 miljoen euro voor Vinci zo’n beetje de ondergrens.”

Aannemers

Alhoewel er ook de kritiek is dat DBFM-contracten de keuzevrijheid voor de besteding van overheidsgeld in de toekomst te veel zouden beperken, wordt algemeen aangenomen dat er meer met DBFM-contracten gewerkt zal worden. Reden voor de aannemers van ons consortium om vroeg in te stappen, ervaring op te doen en ervoor te zorgen dat zij een DBFM-project aan hun trackrecord kunnen toevoegen.

Gerard Minten: “De meeste aannemers zullen aangeven dat een DBFM-contract op lange termijn interessant is, omdat je ook het onderhoud hebt. De vraag is wel of alle partijen onderkend hebben waar zij aan begonnen. Het voordeel zit in de herhaling. Je moet vaker DBFM-projecten doen om er voordeel uit te halen. Voor de toekomst verwacht ik een splitsing. Er zal een groep zijn die voor de lange termijn gaat en gelooft in dit concept. Dat zijn de bedrijven die hun organisatie eromheen opbouwen op basis van schaalvoordelen.”

Open!

Inmiddels is de Tweede Coentunnel open voor verkeer. Agmi, ontwerper en installateur van onder meer de (led)verlichting, maakte een leuke video over de aanleg:

https://youtu.be/A5HcXQfd6-0

>> Lees het nieuwsbericht over de nieuwe Tweede Coentunnel

Chaos creëren om orde te scheppen

Vaak ontstaan de beste ideeën als er niet voortdurend van bovenaf wordt gestuurd. Diep van binnen weten we dat het loont om controle los te laten, maar toch voelen we de behoefte aan regie, zeker bij complexe vakgebieden als ondergronds bouwen. Is het zinnig om grip te willen hebben op de gecompliceerde werkelijkheid? Merten Hinsenveld (directeur COB) besprak het met Geert Teisman, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en gespecialiseerd in beslissingsprocessen in complexe systemen.

Merten: “Het COB werd in 1995 opgericht met een eenduidige doelstelling: het wegwerken van de achterstand in technische kennis op het gebied van geboorde tunnels. Dat doel is inmiddels gehaald. Het netwerk ontwikkelt zich nu verder en de laatste jaren blijkt er behoefte aan het oppakken van minder heldere en minder technische vraagstukken. Dat zijn vraagstukken waar participanten verschillende visies over hebben en waar een technische ‘best practice’ niet in het verschiet ligt. Ordeningsvraagstukken zijn hier een goed voorbeeld van. Maar ook: hoe kun je een contract zodanig in de markt zetten dat het leidt tot innovatie? Partijen worstelen daarbij met hun behoefte aan controle over het proces en het resultaat. Zo worden tunnelprojecten nu regelmatig met een DBFM-contract in de markt gezet, waarmee wordt aangestuurd op creativiteit, maar zijn er ook standaarden en voorschriften ontwikkeld, waardoor de bouwers weer aan handen en voeten worden gebonden. Hoe komen we uit dit dilemma tussen controle en loslaten?”

Geert: “Daar kom je niet uit; je kunt er alleen verstandig mee om leren gaan. Ook de samenleving als geheel zit in deze spagaat. Enerzijds maakt de toenemende complexiteit het moeilijker om grip te houden, terwijl we daar van nature wel naar verlangen, en anderzijds realiseren we ons dat juist die complexiteit ons verder brengt. In de jaren zestig nam infrastructuur bijvoorbeeld nog een bijna autonome positie in; een autoweg werd gewoon bedacht en gerealiseerd, punt. Gaandeweg werden er ook eisen gesteld vanuit de leefbaarheid, het milieu, de economie, enzovoorts. Er is geen sprake meer van een monofunctioneel ontwerp dat je op basis van een eenduidige definitie van het vraagstuk in een lijnproductie kunt omzetten. We moeten nu eisen uit verschillende domeinen combineren, domeinen die je in de vorige eeuw nog apart van elkaar kon ontwikkelen. Ondergronds bouwen biedt de potentie om de eisen mobiliteit en leefbaarheid te combineren. Rijkswaterstaat merkt hierbij dat vasthouden aan het motto ‘wij betalen, dus wij bepalen’ beperkt succes oplevert. De nieuwe vorm van orde (‘de markt, tenzij’) lijkt echter ook niet te werken. Dat komt doordat ook met deze handelswijze niet de belangrijkste eisen vervuld kunnen worden, namelijk die van gecombineerde kwaliteiten. Die eisen kunnen eigenlijk alleen gerealiseerd worden door co-creatie. Maar co-creatie impliceert dat je vooraf niet precies weet waar je uitkomt. Mensen proberen daar op allerlei manieren aan te ontkomen.”

Merten: “Zie je dat ook bij de grote bouwbedrijven? Ze nemen veiligheidsmensen in dienst, er komt een ICT-afdeling en een installateur; ze halen als het ware de hele keten naar binnen.”

Geert: “Ja, je ziet voortdurend dat mensen het werken in ketens zo vermoeiend vinden dat ze liever alles binnen hun eigen organisatie halen. Alleen haal je daarmee ook de ellende naar binnen, want intern ontstaat er evengoed verkokering. Mijn waarneming is, dat het niet uitmaakt of je de specialisaties extern of intern hebt. Als je in ketens werkt, kies je er expliciet voor dat je tot co-creatieafspraken moet komen met een partij die je niet in de hand hebt, bij intern werken heb je de illusie dat je de ander kunt aansturen.”

Merten: “Je hebt verkokering toch ook nodig, omdat je specialisten wilt die goed zijn in hun werk. Is het niet zo dat je vooral begrip voor de ander moet kweken? Dus niet een civiel ingenieur dwingen om zich ook op het gebied van elektrotechniek te ontwikkelen, maar ervoor zorgen dat er tussen die disciplines wederzijds begrip is?”

Geert: “Ja, je moet nadenken over hoe je de verbinding kunt leggen. Binnen het programma Leven met Water hebben we hiervoor de leertafel ontwikkeld. Gewoon wetenschappers bij elkaar aan tafel zetten, werkt niet: ze praten in hun enthousiasme langs elkaar heen en de kennis blijft naderhand ook niet altijd hangen. De essentie van de leertafel is om vanuit een concreet praktijkvraagstuk een aantal bijeenkomsten te beleggen waar praktijkmensen met wetenschappers in gesprek gaan. De wetenschappers reflecteren vanuit hun specifieke eenzijdige blik op de werkelijkheid. Er ontstaat hierdoor een momentum van gedeelde kennisontwikkeling, want de wetenschappers vinden het leuk om vanuit diverse hoeken kennis toe te voegen en de praktijkmensen kunnen de kennis combineren tot een geheel. Een leertafel is een goede manier om het niveau van gedeelde kennis te verhogen zonder dat je mensen dwingt om zich in ander vakgebied te verdiepen.”

Merten: “En je hebt de praktijkmensen nodig om de kennis te laten landen in de concrete werkelijkheid?”

Geert: “Klopt. Maar het gaat ook om het creëren van chaos, het maken van een onverwachte combinatie van actoren. Dan kunnen er namelijk vernieuwingen plaatsvinden. The Strip, het centrale gebouw van de High Tech Campus Eindhoven, is op dit principe gebaseerd. Het gebouw is puur gericht op informele ontmoetingen van kenniswerkers en praktijkmensen, omdat daaruit onverwachte innovaties voortkomen. Je omarmt chaos als hulpmiddel en je accepteert dat sommige innovaties bij anderen terechtkomen.”

Merten: “Na zo’n leertafel gaat iedereen weer zijn eigen weg. Hoe kun je de kennis vasthouden, zodat je steeds een stap verder komt?”

Geert: “De consolidatie van kennis is een enorme uitdaging. Je hebt eigenlijk mensen nodig die in staat zijn om tijdens een bijeenkomst de kennis op te zuigen en deze de volgende keer kort en bondig terug te geven, zodat de groep direct verder kan. Maar je moet aanvaarden dat je kennis niet kunt vastleggen. Je kunt het wel letterlijk vastleggen, maar dan is het dode kennis, omdat het niet meer in hoofden van mensen zit. Je moet ook aanvaarden dat dat wat je opschrijft, door de lezer heel anders begrepen wordt. Mensen lezen alles vanuit hun eigen frame, wat overigens soms juist innovatie oplevert.”

Merten: “Ligt het ook aan het individu: dat we gewoon veel tijd nodig hebben om ‘cocreatief’ te leren werken? Je hebt tijd nodig om specialist te worden en om interactief te kunnen communiceren. Je houdt bijna geen tijd meer over. Zitten we niet aan de grens van wat menselijk mogelijk is?”

Geert: “Dat zou kunnen, maar er zijn mensen die zeggen dat de nieuwe generatie al meer geschikt is voor co-creatie. Jongeren zijn opgegroeid met netwerken, social media, met ‘interconnectiviteit’. Ze kunnen vaak sneller schakelen en vinden dat ook een onderdeel van hun eigen professionaliteit. Daarmee kun je een enorme slag maken in toenemende complexiteit. Andere zeggen weer dat jongeren te oppervlakkig zijn en dat je meer diepgang nodig hebt. Het blijft dus een open vraag.”

Merten: “Rijkswaterstaat wil ook toe naar co-creatie, maar stelt zich wel op als opdrachtgever. Kort gezegd: de eisen worden functioneel opgesteld en de invulling wordt aan de markt overgelaten. Moeten opdrachtgever en opdrachtnemer voor co-creatie meer als collega’s gaan opereren? Vereist co-creatie dat Rijkswaterstaat zijn rol als opdrachtgever meer loslaat?”

Geert: “Niet per se. Om co-creatie voor je eigen achterban verteerbaar te maken, moet je wel een formele scheiding aanbrengen. Maar vervolgens ga je informele verbindingen aan en binnen dat netwerk vindt co-creatie plaats.”

Merten: “Hoe zorg je er dan voor dat oplossingen die vanuit dat informele netwerk ontstaan niet direct teruggestuurd worden door formele contractmanagers?”

Geert: “De uitdaging zit hem inderdaad in het vormgeven van de overgang tussen de binnen- en buitenwereld. De buitenwereld vraagt om transparantie en zekerheid (‘een besluit is een besluit’), maar je wilt slimme voorstellen vanuit de binnenwereld ook kunnen benutten. Bij het programma Ruimte voor de Rivier hadden ze hiervoor een zogeheten omwisselbesluit: in principe doen we wat we hebben afgesproken, maar als er een beter voorstel komt dat wel de intentie maar niet de letter van het contract volgt, kunnen we een nieuw besluit nemen.”

Merten: “Hoe regel je dit bestuurlijk?”

Geert: “We hebben gemerkt dat degene die het oorspronkelijke besluit heeft genomen niet ontvankelijk is om mee te bewegen naar het nieuwe besluit. Daarom heb je bijvoorbeeld een commissie van ‘wijzen’ nodig, of je kunt burgers laten beoordelen. Zo behoudt de binnenwereld de ruimte om tot vernieuwing te komen, maar houd je tegelijkertijd de transparantie hoog door de externe toets. Ook voor ondergronds bouwen biedt dit kansen. Je moet ondergronds bouwen niet alleen als uitvoeringsmethode zien, maar ook neerzetten als een oplossing waarop burgers trots kunnen zijn; ondergronds bouwen kan van toegevoegde waarde zijn voor hun leefomgeving.”

Dit was de Onderbreking Tunnels en veiligheid

Bekijk een ander koffietafelboek: