Loading...

De Onderbreking

Tunnels en veiligheid

Tunnels en veiligheid

Lokale tunnel bediend vanuit verkeerscentrale

Noord-Holland, Waterwolftunnel

Infra die aan de wet voldoet, voelt niet automatisch veilig

Veiligheid aantonen bij niet-rijkstunnels

Hoe voorspelbaar is de weggebruiker

Leren langs de A9

Rotterdam, Maastunnel

Onderbreking Tunnels en veiligheid

SOS: Meer meten met infrarood

Kennisbank

Tunnels en veiligheid

Tunnels zijn wellicht de bekendste voorbeelden van ondergrondse bouwwerken. Het begon in Nederland met afgezonken tunnels om watergangen te kruisen, inmiddels worden ook boor- en landtunnels breed toegepast. Ontwikkelingen in de praktijk vragen om ontwikkeling in kennis en kunde. Ook op het gebied van veiligheid: ondergronds is het waarborgen van veiligheid vaak complexer dan boven de grond.

Nederland is specialist in afgezonken tunnels. Toch is er ook op dit gebied nog voldoende bij te leren. Gezien de hoge leeftijd van de meeste Nederlandse zinktunnels, is renovatie bijvoorbeeld een actuele en dringende opgave, waarover nog veel vragen leven. Daarnaast neemt de complexiteit bij het realiseren van geboorde tunnels toe: in stedelijke gebieden is het prettig als wegen en spoorlijnen ondergronds gaan, maar er is weinig ruimte om te bouwen en de hinder moet minimaal zijn. We willen in complexere situaties ondergronds bouwen, nog dieper en nog dichter bij de bestaande bebouwing.

Veiligheid is dan ook onlosmakelijk met ondergronds bouwen verbonden. Het werken in de grond heeft al snel effect op de omgeving. Bovendien moet de constructie na oplevering veilig te gebruiken zijn. Dat is op zichzelf al een opgave, maar een bijkomende uitdaging is het vooraf aantoonbaar maken van veilig gebruik, en dat in een complex belangenveld. De laatste jaren leidde dat bij tunnels soms tot problemen. Samen met het netwerk wil het COB ervoor zorgen dat nieuwe tunnels voortaan opengaan zonder gedoe.

Lokale tunnel bediend vanuit verkeerscentrale Rijkswaterstaat

Pal naast de A2 Leidsche Rijntunnel ligt de Utrechtse Stadsbaantunnel. Deze gemeentelijke tunnel voor lokaal verkeer werd het eerste jaar na opening lokaal bediend. Inmiddels is de tunnel aangesloten op de verkeerscentrale Midden-Nederland van Rijkswaterstaat. De omzetting was een uitdagend project.

“In 2013 raakte ik bij het project Stadsbaantunnel betrokken”, vertelt Sieb van der Weide, gemandateerd tunnelbeheerder en coördinator ondergrondse infrastructuur van de gemeente Utrecht. “De tunnel was toen al in aanbouw. Het ontwerp voorzag erin dat de tunnel vanuit het lokale bediengebouw boven de zuidelijke tunnelmond door gemeentelijk personeel bediend zou worden. Ik plaatste vraagtekens bij deze keuze, omdat het mij logischer leek de bediening bij de verkeerscentrale van Rijkswaterstaat onder te brengen die al de aangrenzende A2 Leidsche Rijntunnel bediende. Bovendien hadden we als gemeente geen ervaring met tunnels onder Warvw-regime. De Stadsbaantunnel is onze eerste tunnel en naar verwachting komen er de komende jaren ook geen nieuwe tunnels bij.”

“Er bleek eerder ook al over de optie van externe bediening te zijn nagedacht. Zo had het gemeentelijke Bureau Negen Tien – dat verantwoordelijk was voor alle ruimtelijke opgaven in de wijken Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern, de wijken negen en tien, en dus ook voor de bouw van de tunnel – geprobeerd om de bediening via Rijkswaterstaat te organiseren. Ook had het lijntjes uitgezet naar de gemeenten Den Haag en Amsterdam en de verkeerscentrale van de Waterwolftunnel. Allemaal zonder het gewenste resultaat. Toen ik het onderwerp eind 2013 op de agenda zette, werd mijn idee positief ontvangen. Aanpassing van het ontwerp tijdens de bouw werd echter door de bouwer en Bureau Negen Tien als ongewenst bestempeld. Dat leidde tot het compromis om de tunnel conform het ontwerp te bouwen en vervolgens, na de opening, te kijken hoe hij op de verkeerscentrale Midden-Nederland van Rijkswaterstaat kon worden aangesloten. Verder werd besloten om de tunnel al direct vanaf de opening door medewerkers van Rijkswaterstaat te laten bedienen vanuit het lokale bediengebouw. In mei 2015 sloten de gemeente Utrecht en Rijkswaterstaat daartoe een convenant waarin deze punten en de samenwerking rond de bediening en bewaking van de tunnel werden vastgelegd.”

Verkenning

“Natuurlijk was dit geen optimale start”, zegt Jasper Kimstra, die met zijn bedrijf Kimpro namens de gemeente Utrecht en Rijkswaterstaat verantwoordelijk was voor het projectmanagement van het technische deel van de omzetting. “Het ontwerp van de tunnel was volledig gericht op lokale bediening en niet op aansluiting op de verkeerscentrale van Rijkswaterstaat. Daardoor moesten we twee complexe technische systemen koppelen die niet op elkaar waren afgestemd. Gelukkig was de gemeente bij het ontwerp wel grotendeels uitgegaan van de Landelijke Tunnelstandaard, waardoor toch tal van onderdelen aansloten op de ontwerpsystematiek van Rijkswaterstaat.”

Links de ‘pergola’ van de zuidelijke ingang van de Stadsbaantunnel met het lokale bediengebouw, rechts het noordelijke bediengebouw van de A2-tunnel. (Foto: Xxx)

“Nadat het convenant was gesloten, is vrij snel een projectteam opgetuigd”, vult Reinier van der Klooster van Rijkswaterstaat Centrale Informatievoorziening aan. Door Rijkswaterstaat Midden-Nederland was Van der Klooster gevraagd als projectmanager mee te werken aan het project. “We zijn begonnen met een verkenning: welke onderdelen zijn al goed en welke technische en organisatorische maatregelen zijn nodig om de tunnel goed te kunnen bedienen? Vervolgens hebben we een functioneel ontwerp gemaakt. Wat hebben we nodig in de centrale als we ervan uitgaan dat zowel de Stadsbaantunnel als de Leidsche Rijntunnel vanaf elk van de acht werkplekken in de verkeerscentrale moet kunnen worden bediend? Hoeveel beeldschermen hebben we dan bijvoorbeeld nodig en hoeveel audiokanalen?”

Aanpassen netwerk

Kimstra: “Bij het vaststellen van de noodzakelijke technische aanpassingen hebben we de technische aansluitvoorwaarden van de verkeerscentrale – het zogeheten universeel koppelvlak verkeerscentrale – de bedieningssystematiek van Rijkswaterstaat en de bijbehorende set van systemen als uitgangspunt genomen. Denk aan de indeling van videoschermen en de manier waarop het bedieningssysteem werkt. We vinden het namelijk belangrijk dat de verkeersleiders in de centrale zowel de Leidsche Rijntunnel als de Stadsbaantunnel intuïtief kunnen bedienen. Tegelijkertijd moeten de verkeersleiders ook in het lokale bediengebouw uit de voeten kunnen, omdat dat als terugvaloptie dient als de centrale uitvalt. Om die reden hebben we daar bijvoorbeeld een aantal joysticks vervangen die net iets anders werkten dan die in de centrale. Verder hebben we in de centrale een aantal werkplekken aangepast omdat die de HD-kwaliteit van de camerabeelden uit de Stadsbaantunnel niet snel genoeg konden verwerken.”

Volgens Kimstra was de grootste en meest ingrijpende maatregel het aanpassen van het netwerk in de tunnel: “We moesten het datanetwerk passend maken op het netwerk van Rijkswaterstaat. Concreet betekende dit dat we alles moesten omnummeren en andere IP-adressen moesten geven. Uiteindelijk ging het om meer dan driehonderd installatieonderdelen. Dat was veel werk en vergde veel controles. Zo bleven we op een gegeven moment foutmeldingen krijgen. Na lang zoeken bleek de firewall dit probleem te veroorzaken.”

“We bleven op een gegeven moment foutmeldingen krijgen. Na lang zoeken bleek de firewall dit probleem te veroorzaken.”

Van der Klooster: “Dit soort voorbeelden laat mooi het verschil zien tussen ICT en een vakgebied als civiele techniek. Als de betondekking in een tunnel ergens een centimeter meer of minder is, is dat meestal niet direct een probleem. In ons vakgebied gaat het om eentjes en nulletjes en als ergens een nulletje wordt doorgegeven terwijl het een eentje moet zijn, gaan direct alle alarmbellen rinkelen.”

‘Pak van mijn hart’

Op 15 december 2016, vrijwel exact een jaar na de opening van de Stadsbaantunnel, was de centrale bediening een feit. Terugkijkend op het project is Van der Weide zeer tevreden: “Door de omzetting hebben we een forse efficiencyverbetering gerealiseerd. De ploeg voor de lokale bediening bestond uit vijftien mensen, terwijl met het onderbrengen van de bediening bij de verkeerscentrale Midden-Nederland daar slechts 2,3 formatieplaatsen voor nodig zijn. De verkeersleiders kunnen de bediening van de Stadsbaantunnel namelijk vrij eenvoudig meenemen bij hun andere werkzaamheden. Een ander belangrijk pluspunt is dat de hulpdiensten blij zijn met de gecombineerde bediening van de Stadsbaantunnel en de Leidsche Rijntunnel, omdat deze de veiligheid van beide tunnels vergroot. Ze vinden het prettig om bij calamiteiten in een van de tunnels vanuit dezelfde centrale te worden aangestuurd en maken bij een calamiteit in de Leidsche Rijntunnel graag gebruik van de calamiteitendoorsteek van de Stadsbaantunnel.”

Ook Kimstra en Van der Klooster kijken met een positief gevoel terug. Van der Klooster noemt de constructieve manier waarop de gemeente en Rijkswaterstaat hebben samengewerkt en Kimstra prijst de manier waarop alle leveranciers in een situatie met verschillende opdrachtgevers hun werk gezamenlijk hebben gedaan. Maar Van der Klooster heeft ’m ook nog wel even geknepen. Hij doelt daarbij op het laatste deel van het project, het testtraject: “Op 4 december hebben we de lokale bediening buiten werking gesteld en de tunnel tijdelijk gesloten. Vervolgens hadden we tien dagen om de nieuwe lokale én centrale bediening op te bouwen en te testen. Dat was heel krap, en achteraf vraag ik me af of we ons niet te veel onder druk hebben laten zetten met de planning.” Ook Van der Weide vond deze periode erg spannend: “Toen het bericht kwam dat de tunnel weer open was en het ook ‘deed’, was dat een pak van mijn hart.”

Waterwolftunnel

De Waterwolftunnel is onderdeel van de vernieuwde provinciale weg N201 tussen Hoofddorp en Amstelhoek. Hij gaat onder de Ringvaart van de Haarlemmermeer door en ligt op de grens van de gemeenten Aalsmeer en Haarlemmermeer.

(Foto: Flickr/European Roads)

De Waterwolftunnel heeft twee gescheiden buizen met elk twee rijstroken en een middentunnelkanaal, dat onder meer dient als vluchtroute. In totaal is de tunnel 1.450 meter lang. Het gesloten deel is 670 meter lang en gaat aan beide kanten over in een open tunnelbak van 300 meter. Aan de oostzijde is er na de open tunnelbak nog een korte tunnel met een lengte van 80 meter.

Slim

Bij de bouw van de tunnel heeft de aannemerscombinatie steeds voor slimme, economisch aantrekkelijke oplossingen gekozen. Voor de aanleg is met damwanden een bouwput gemaakt. Hierin is met onderwaterbeton een vloer gestort die onder een helling ligt. Door in deze vloer wapening aan te brengen, was een aparte constructievloer niet nodig en kon de tunnel minder diep worden aangelegd. De betonnen zijwanden van de tunnel zijn relatief licht uitgevoerd met een dikte van 0,4 meter. Ze maken de constructie waterdicht en verhogen de brandwerendheid. Ze zijn er niet op berekend om de gronddruk tegen te houden. Daarvoor zorgen de stalen damwanden.

De tunnel kruist niet alleen de Ringvaart, maar ook het Bovenlandengebied, een moeraszone waarin de beschermde rugstreeppad leeft. Om te zorgen voor voldoende leefgebied voor deze zeldzame pad is een deel van het tunneldak uitgevoerd als ecologische zone met veeneilandjes. (Foto: Heijmans)

Veiligheid

De Waterwolftunnel is de eerste provinciale tunnel in Noord-Holland die aan de wet Aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw) moest voldoen. Reden voor de provincie Noord-Holland en de betrokken gemeenten (Aalsmeer en Haarlemmermeer) om vanaf het begin sterk in te zetten op veiligheid. Ze wilden namelijk voorkomen dat er vertraging zou optreden als gevolg van het niet verlenen van een openstellingsvergunning. Daarom is onder andere gekozen voor een intensief traject rond opleiden, trainen en oefenen (OTO). Alle directbetrokkenen hebben een opleiding en training gehad en hebben vervolgens uitgebreid geoefend, deels met 3D-simulatieprogramma’s.

Doordachte samenwerking bij calamiteiten

Infra die aan de wet voldoet, voelt niet automatisch veilig

Ron Beij en Ron Galesloot van de afdeling Risicobeheersing van de regionale brandweer Amsterdam-Amstelland stellen dat ‘veilig volgens de wet’ niet altijd voldoende is, vooral niet op locaties waar sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Beij: “De veiligheid van de afzonderlijke infrastructurele componenten – denk aan een tunnel – is meestal wel goed geregeld, maar de integrale veiligheid van deze objecten in hun omgeving laat vaak te wensen over.”

Hun overtuiging dat er meer aandacht moet komen voor integrale veiligheid is ontstaan door hun betrokkenheid bij een aantal grote projecten, waaronder de Noord/Zuidlijn. “Vanuit de brandweer ben ik sinds 1995 bij dit project betrokken”, vertelt Beij. “Toen waren er vooral gesprekken over bouwplannen en contracten. Rond 2000 werd geleidelijk duidelijk hoe de metrolijn eruit zou gaan zien en in 2003 startte de uitvoering. Kort geleden, op 22 juli 2018, is de lijn in gebruik genomen.”

“De nieuwe metrolijn voldoet aan de wet, laat dat duidelijk zijn”, vervolgt Beij. “Alle besluiten over de metrolijn en de stations zijn echter voorafgaand aan de bouw, in de vorige eeuw, genomen. Dat betekent dat de toegepaste veiligheidsfilosofie twintig jaar oud is. Inmiddels denken we heel anders over risico’s en is er door de enorme ontwikkelingen op het gebied van ICT veel meer mogelijk. Ook hanteren we ondertussen andere uitgangspunten en zijn er modernere analyse-instrumenten beschikbaar. En dat is nog los van het feit dat wetgeving hoe dan ook altijd achterloopt op de actualiteit. Tegelijkertijd beseffen we dat het aanpassen van de veiligheidsvoorzieningen tijdens de uitvoering weinig kans zou hebben gemaakt. Tijdens de bouw ben je gebonden aan contracten. Je zou dan contracten moeten openbreken en daar zit niemand op te wachten. Daarom zijn aanpassingen uitgesteld tot na de openstelling.”

Er zijn weinig handvatten in de wet- en regelgeving om de integrale veiligheid tijdens de beheer- en gebruiksfase te onderbouwen.

“Daarmee wordt het niet ineens veel eenvoudiger. Sinds de openstelling hebben we te maken met andere partijen en andere mensen. Na twintig jaar overleggen we nu bijvoorbeeld niet meer met de projectorganisatie, maar met de beheerder van de metrolijn. Verder is er nu sprake van een ander gebruik én andere regelgeving. Zo is niet alleen het Bouwbesluit leidend bij metro’s; ook de Wet lokaal spoor is van toepassing. Deze wet regelt de spoorveiligheid, maar niet de veiligheid op de perrons of in de winkels op de stations. Terwijl een brand in een winkel verstrekkende gevolgen kan hebben. Dit betekent dat er weinig handvatten in de wet- en regelgeving zijn om de integrale veiligheid tijdens de beheer- en gebruiksfase te onderbouwen. Het zit er gewoon niet goed in. Daarin verschillen tram- en metrotunnels duidelijk van wegtunnels. Zo wordt bij wegtunnels de veiligheid na openstelling deels al geregeld met de Rarvw, de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels, en de Warvw, de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels.”

Nieuwe risico’s

Galesloot vult aan: “Naast bovengenoemde problemen – een gedateerde veiligheidsfilosofie bij openstelling en het ontbreken van goede regelgeving voor de beheer- en gebruiksfase – constateren we ook dat de bestaande veiligheidsregelgeving nauwelijks rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen en nieuwe risico’s. Denk aan de komst van zelfrijdende voertuigen, vraagstukken rond cybersecurity, de energietransitie en de koppeling tussen allerlei vormen van infrastructuur via het internet of things. Er komen bijvoorbeeld steeds meer elektrische auto’s. Dat is goed voor het milieu, maar als een accu van een Tesla in brand vliegt, kunnen wij die als brandweer nu niet blussen. Dat betekent dat je wellicht extra voorzieningen moet treffen om ook op termijn de veiligheid te kunnen garanderen.”

“Een andere ontwikkeling die van grote invloed is op de veiligheid van de openbare ruimte, is meervoudig ruimtegebruik”, stelt Galesloot. “Vooral in stedelijk gebied worden steeds vaker functies gecombineerd. Een voorbeeld zijn de stations Vijzelgracht en Rokin van de Noord/Zuidlijn, waar de ondergrondse ruimte boven de diepgelegen metrostations wordt benut voor de aanleg van parkeergarages. De vergunningen worden in dit soort gevallen per object verleend, terwijl de veiligheid van de metrostations niet los kan worden gezien van gebeurtenissen in de parkeergarages en omgekeerd. Neem de geplande volautomatische parkeergarage boven station Vijzelgracht. Bij brand in dit soort ‘parkeermachines’ gaan we als brandweer niet naar binnen. Daarom worden ze vaak uitgerust met een automatisch CO2-blussysteem, dat wordt gedimensioneerd op een lege garage. Als dat hier ook gebeurt en er ontstaat brand op een moment dat de garage redelijk vol is, dan is er kans dat het overschot aan CO2 – dat zwaarder is dan lucht – via de doorgangen in het station terecht komt. Dat willen we niet en daarom overleggen we inmiddels over een alternatief blussysteem voor deze parkeergarage.”

Doorsnede van het nieuwe station Vijzelgracht. (Beeld: gemeente Amsterdam)

Ingesloten door rook

Beij: “Een ander voorbeeld is Amsterdam CS. Aan de kant van het IJ liggen hier vier lagen infrastructuur boven elkaar. Op het onderste niveau kruist de Noord/Zuidlijn het treinstation en bevindt zich het nieuwe metrostation. Op het niveau hierboven ligt parallel aan het IJ de Michiel de Ruijtertunnel met twee tunnelbuizen voor wegverkeer. Op het dak van deze tunnel is een winkelcentrum in een hal van het station. En bovenop dit winkelcentrum, op het hoogste niveau, ligt het busstation dat is overdekt door een grote gebogen glazen kap. Tussen de tunnelbuizen van de Michiel de Ruijtertunnel zijn er (rol)trappen die het metro-, trein- en het busstation met elkaar verbinden. Meervoudig ruimtegebruik ten voeten uit!”

Doorsnede van station Amsterdam Centraal aan de IJ-zijde. (Beeld: gemeente Amsterdam)

“Kijk je naar de veiligheid, dan voldoen alle objecten aan de wettelijke eisen. Helaas betekent dit niet dat de combinatie van deze vier objecten ook veilig is. Stel bijvoorbeeld dat in de Michiel de Ruijtertunnel een auto in brand komt te staan. Aangezien in deze tunnel geen ventilatoren zijn aangebracht – dat is niet verplicht voor tunnels met een lengte tussen de 250 en 500 meter – verlaat de rook de tunnel via beide tunnelmonden. De grote glazen kap van het busstation steekt over deze tunnelmonden heen. Daardoor verzamelt de rook zich vanuit twee kanten onder de kap, koelt af en zakt vervolgens via de roltrappen naar beneden richting het lager gelegen winkelcentrum en metrostation. Simulatieberekeningen laten zien dat in zo’n geval binnen enkele minuten grote aantallen mensen ingesloten raken door de rook, waardoor de kans op slachtoffers fors is.”

Meedenken

“Dit soort ongewenste situaties kun je voorkomen door in een vroeg stadium een uitgebreide veiligheidsafweging te maken”, aldus Galesloot. “Voor het project Zuidasdok is bijvoorbeeld vooraf een integraal veiligheidsplan gemaakt dat is meegenomen in het bestuursakkoord en in het tracébesluit. Daardoor is wettelijk vastgelegd dat in iedere fase van dit omvangrijke project rekening moet worden gehouden met de omgeving.”

Beij: “In de praktijk is dit lang niet altijd mogelijk. Immers, de meeste infrastructuur en steden worden niet integraal ontworpen, maar groeien stapsgewijs. Daardoor is het lastig om het geheel te overzien en de integrale veiligheid te blijven garanderen. Ik ben er echter van overtuigd dat we daar wel naar moeten streven. Hoe dat het beste kan, weet ik nog niet.”

Illustratie van het mobiliteitssysteem in lagen volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. (Bron: Van B naar Anders)

Veiligheid aantonen bij niet-rijkstunnels vraagt om doordachte aanpak

Aantonen dat een tunnel veilig is, moet volgens de Tunnelwet met de zogeheten QRA-methode. Het onderliggende rekenmodel is echter niet voor alle tunnels zonder meer geschikt. Bart Duijvestijn, Jeffrey Rundberg en Roel Scholten vertellen hoe zij met dit probleem zijn omgegaan bij respectievelijk de IJtunnel, de Schipholtunnels en de Abdijtunnel: tunnels die afwijken van de ‘standaardtunnel’.

Alle tunnels in Nederland moeten uiterlijk 2019 voldoen aan de Tunnelwet, waarbij veiligheid het belangrijkste onderdeel is. “De voorgeschreven QRA-methode gaat net als de Landelijke Tunnelstandaard uit van een standaardtunnel”, legt Roel Scholten uit, directeur bij NedMobiel en in opdracht van de provincie Noord-Holland coördinator van de renovatie van de Abdijtunnel. “Die standaardtunnel is gebaseerd op een rijkstunnel en bestaat onder andere uit twee gescheiden tunnelbuizen met elk een eigen rijrichting en een middentunnelkanaal dat bij calamiteiten dient als vluchtroute en toegang voor de hulpdiensten. Er zijn echter veel bestaande tunnels, zoals de Abdijtunnel, de verkeerstunnels op Schiphol en de IJtunnel, die een andere, afwijkende configuratie hebben. Door die andere configuratie en vaak ook een ander gebruik – zo rijden er door de Abdijtunnel uitsluitend bussen – kun je bij deze niet-rijkstunnels niet zomaar met de verplichte methode aantonen dat ze aan de wettelijke veiligheidsnorm voldoen.”

Gezamenlijke zoektocht

“Toen wij in 2011 plannen maakten voor de renovatie van de IJtunnel werd al aan een wijziging van de Tunnelwet gewerkt, maar was het toepassen van de QRA-methode nog niet verplicht”, vertelt Bart Duijvestijn (Arcadis), technisch manager van het renovatieproject. “In eerste instantie konden we de bouwvergunning onder de oude regels aanvragen en konden we ook aantonen dat we aan de veiligheidseisen voldeden. Tijdens het renovatieproject werden we verrast door een constructief detail van de tunnel en besloten we af te wijken van de bestaande vergunning. Ondertussen was de wetswijziging doorgevoerd. Daardoor moesten we voor de aanpassing van de bouwvergunning en voor de openstellingsvergunning de veiligheid opnieuw aantonen met de QRA-methode. Dat lukte ons niet met het standaardmodel, wat voor ons aanleiding was om met onze vergunningverlener in overleg te gaan hoe we dit probleem het beste konden aanpakken.”

Rond die tijd startten ook de renovatieprojecten voor de Abdijtunnel en de Schipholtunnels. Bij deze projecten was eveneens snel duidelijk dat het aantonen van de veiligheid met het wettelijk voorgeschreven model lastig zou worden. Daarom besloten Scholten, Duijvestijn en Jeffrey Rundberg (TechConsult), die bij Schiphol projectmanager Tunnelveiligheid is, de koppen bij elkaar te steken en samen op zoek te gaan naar oplossingen. Rundberg: “Bij onze gezamenlijke zoektocht hebben we ons niet beperkt tot het aantonen van de vereiste veiligheid. We hebben ook gekeken hoe je bij niet-rijkstunnels op een slimme manier de benodigde veiligheidsvoorzieningen kunt vaststellen. Bij tunnels die afwijken van de standaardtunnel kun je namelijk niet simpelweg de Landelijke Tunnelstandaard volgen. Met elkaar discussiërend zijn we erop gekomen om in een vroeg stadium, naast de verplicht voorgeschreven QRA, scenarioanalyses uit te voeren. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als er brand in de tunnel ontstaat? En wat bij een kop-staartbotsing? Door dit soort scenario’s door te nemen met alle partijen die betrokken zijn bij een eventuele calamiteit, kun je vrij snel vaststellen welke technische installaties en welke procedures nodig zijn om de veiligheid te garanderen.”

Abdijtunnel. (Foto: Provincie Noord-Holland)

“Weten welke technische voorzieningen allemaal vereist zijn, is bij bestaande tunnels niet voldoende”, vervolgt Rundberg. “Eén van lastige dingen bij deze tunnels is namelijk dat de beschikbare ruimte grotendeels vastligt. Dat houdt in dat je veel moet schipperen. Zo ontbrak bij de Diensttunnel de ruimte voor het vereiste ventilatiesysteem en de blusinstallatie. Uiteindelijk hebben we dat opgelost door van twee rijstroken per tunnelbuis terug te gaan naar één rijstrook en de vrijkomende ruimte te gebruiken voor de noodzakelijke voorzieningen.” Scholten vult aan: “Bij de Abdijtunnel was ruimtegebrek ook een probleem. Wij hebben dat deels opgelost door de vereiste veiligheid niet met extra installaties te realiseren, maar met extra procedures. Zo hebben we alle chauffeurs die door de tunnel rijden uitgebreid geïnstrueerd welke stappen ze moeten nemen bij een calamiteit.”

Beleidsruimte

Voor het aantonen van de veiligheid van de betreffende tunnels hebben de projectteams van Scholten, Duijvestijn en Rundberg gebruikgemaakt van de beleidsruimte die er is voor tunnels die afwijken van de standaardtunnel. Duijvestijn: “Rijkswaterstaat heeft een procedure ontwikkeld die je moet volgen als blijkt dat je met het voorgeschreven model niet kunt bewijzen dat jouw tunnel voldoet aan de veiligheidsnormen. Alle drie hebben we deze procedure gevolgd. De eerste stap van deze procedure is dat je kijkt of je met conservatieve schattingen en aanpassingen van je invoergegevens wel kunt aantonen dat je voldoet. Lukt dat ook niet, dan is de volgende stap dat je nagaat of je de veiligheid kunt bewijzen door het rekenmodel zelf zodanig aan te passen dat het beter aansluit op de specifieke situatie.”

“Deze stappen zijn het beste uit te leggen aan de hand van een voorbeeld”, zegt Duijvestijn. “In de IJtunnel varieert het dwarsprofiel en daarmee ook de ventilatiesnelheid. Op sommige plekken is die snelheid lager dan impliciet is opgenomen in het rekenmodel. In QRA-tunnels kun je dit soort variaties niet invoeren, je kunt alleen kiezen voor wel of geen ventilatie. Een ander probleem was dat de afstand tussen de vluchtdeuren in de IJtunnel sterk wisselt, van circa 100 tot 190 meter. In QRA-tunnels kun je echter maar één afstand invoeren. Daarom zijn we bij de eerste stap uitgegaan van de grootste vluchtdeurafstand en de laagste ventilatiesnelheid, en hebben we ook nog eens één tunnelsectie gemodelleerd alsof daar geen langsventilatie is. Vervolgens hebben we gekeken of we met deze conservatieve waarden aan het toetscriterium voldeden. Dat bleek niet het geval.”

Duijvestijn vervolgt: “De tweede stap, het aanpassen van het model, hebben we steeds in nauwe samenspraak met Rijkswaterstaat gedaan. In het geval van variaties in de ventilatiesnelheid en de vluchtdeurafstand hebben we ervoor gekozen de tunnel op te knippen in vier delen met elk een representatieve vluchtdeurafstand. Vervolgens hebben we in drie van de vier delen, waar de ventilatiesnelheid voldoet aan de norm, gerekend met ventilatie en in het vierde deel zonder.”

“Een ander onderwerp dat zowel bij de IJtunnel als de Abdijtunnel om een modelaanpassing vroeg, was de uitstaptijd. Het standaardmodel gaat ervan uit dat inzittenden van voertuigen in de tunnel bij een calamiteit twaalf seconden nodig hebben om hun voertuig te verlaten. Dat gaat op voor personenauto’s en vrachtwagens, maar niet voor bussen. Zeker niet als er veel volle bussen door de tunnel rijden, zoals bij de IJtunnel, of zelfs alleen maar bussen zoals bij de Abdijtunnel. Nu kun je in QRA-tunnels de uitstaptijd bij de eerste stap wel verhogen, maar dan moet je voor alle reizigers uitgaan van de tijd die de allerlaatste buspassagier nodig heeft om uit de bus te komen. Met die waarde voldeden we niet aan de eisen. Daarom hebben we in overleg met Rijkswaterstaat het model zodanig aangepast dat voor een deel van de inzittenden de uitstaptijd niet twaalf seconden is, maar twaalf seconden of meer, afhankelijk van de uitstapvolgorde”, aldus Duijvestijn.

Voldoende handvatten

“De gekozen aanpak heeft bij onze tunnels uitstekend gewerkt en ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak ook voor andere niet-rijkstunnels geschikt is”, stelt Scholten. “Met de scenarioanalyses als aanvulling op de verplichte QRA kun je in een vroeg stadium alle risico’s goed in kaart brengen. Daarna kun je bepalen welke technische voorzieningen en procedures nodig zijn om die risico’s voldoende af te dekken. Hoewel we daarbij niet direct konden uitgaan van de Landelijke Tunnelstandaard hebben we deze standaard niet ter zijde geschoven. Zo hebben we nadrukkelijk gekeken welke delen we konden gebruiken en voor welke onderwerpen we moesten uitgaan van de Tunnelwet. Verder hebben we ervaren dat de procedure van Rijkswaterstaat voor het aanpassen van QRA-tunnels voldoende handvatten biedt om aan te tonen dat je tunnel aan de veiligheidsnormen uit de Tunnelwet voldoet. Het vergt weliswaar meer werk en de nodige denkkracht, maar het is goed te doen. En door de modelaanpassingen in overleg met Rijkswaterstaat te doen, weet de vergunningverlener dat de veiligheid van de tunnel niet in het geding is.”

Hoe voorspelbaar is de weggebruiker

De overgang van een gewone weg naar een tunnel beïnvloedt de weggebruiker. Aarzelend gedrag. Verder van de wand af rijden. Afremmen. We kennen de effecten van een tunnel op weggebruikers. Of niet? “ Tunnelontwerpers denken ten onrechte dat zij kunnen invoelen hoe mensen zich zullen gaan gedragen”, stelt Maartje de Goede, onderzoekster bij TNO.

“Er wordt nog vrij weinig met behulp van simulaties vooraf gekeken naar de invloed van het tunnelontwerp op het gedrag van de weggebruiker. Er wordt wel, zoals nu bij de Tweede Coentunnel, achteraf geëvalueerd als het in de praktijk niet zo goed blijkt te gaan. Als je alleen maar evalueert, heb je vaak slecht nieuws. Achteraf kun je niet zo veel meer veranderen en altijd tegen hogere kosten”, aldus De Goede.

Zoeken naar optimum

“Idealiter kies je voor een grotere diameter. En het scheelt al veel als je een vluchtstrook hebt. Maar het is begrijpelijk dat dat ruimtelijk en financieel niet altijd lukt. Een tunnel is duur en je wilt waar mogelijk bezuinigen op ruimte en dimensies. Uiteraard netjes binnen de richtlijnen. Maar dan zie je in de praktijk dat elke tunnel toch net weer even anders is en dat je bijvoorbeeld in de Tweede Coentunnel, ondanks het voldoen aan de richtlijnen, meer ongevallen hebt dan je zou verwachten. Nu wordt er achteraf geëvalueerd en is men aan het oplappen om de consequenties zo veel mogelijk te beperken. Als je dat vooraf kunt regelen met behulp van simulaties, kun je het menselijk gedrag meenemen in het ontwerp. Je kunt problemen dan tegen veel lagere kosten oplossen.”

“Vooraf een simulatietest doen, kost natuurlijk geld, maar de kosten vallen in het niet bij die van het totale project. Meer dan de kosten, speelt mee dat men denkt wel te weten hoe de weggebruiker zal reageren. Men redeneert: er is al veel kennis, we hebben richtlijnen en we kunnen wel invoelen hoe mensen zich zullen gaan gedragen. Maar laten we eerlijk zijn, we zijn vaak niet eens in staat ons eigen gedrag in te schatten. Laat staan dat van een ander.”

Verplichting

Een ontwerp testen in een simulator moet met behulp van 3D-ontwerptechnieken in principe gemakkelijker worden. Zo kon bij de Sluiskiltunnel aan de hand van 3D-modellen al visueel worden aangetoond dat de weggebruiker altijd ten minste twee achtereenvolgende matrixborden tegelijkertijd kan zien. Ligt het dan niet voor de hand om simulatie te verplichten? Maartje de Goede: “Vanuit TNO zou dat preken voor eigen parochie zijn. Maar ik vind oprecht dat ontwerpers zich moeten realiseren dat simulatie heel waardevol kan zijn. Als er in een ontwerp ook maar ergens twijfel over veilig gebruik bestaat, of als je weet dat je qua richtlijnen echt aan de minimale kant zit, moet je ten minste overwegen er een professional op het gebied van weggedrag naar te laten kijken.”

“En dan gaat het niet alleen om hoe mensen zich in een normale situatie gedragen in de tunnel. Reallifesimulatie is ook waardevol om vluchtgedrag in beeld te brengen. Evacuatieplannen worden gemaakt op basis van berekeningen. Dan weet je hoeveel mensen er per minuut door een vluchtdeur kunnen. Maar doen ze dat ook? Uit simulaties van een brand in een tunnel blijkt bijvoorbeeld dat mensen gaan keren. Hoe ga je daarmee om? Simulatiegegevens al meenemen in protocollen voor ontwerp en training van beheerders en hulpverleners, is heel waardevol. En gebruik simulatie om te oefenen.”

Voorkom informatie-overload

Simulatie leidt zelden tot drastische aanpassingen in een ontwerp. Het gaat vaak om kleine aanpassingen die het rijden in de tunnel veiliger en comfortabeler maken. “Want”, zo zegt De Goede, “hoe comfortabeler de tunnel, des te kleiner de kans dat mensen gekke dingen gaan doen. Ontwerpers moeten zich realiseren dat mensen vaak geen idee hebben wat een tunnel is. Als je steekproefsgewijs vraagt wat je moet doen bij een calamiteit, hebben mensen daar meestal nog nooit over nagedacht. (Bijna-)ongevallen worden in de meeste gevallen veroorzaakt door een fout van de weggebruiker. Maar het gaat erom de omgeving zo in te richten dat je zo min mogelijk fouten uitlokt. Er spelen altijd aparte factoren mee en een tunnel vergt altijd extra aandacht. Mensen nemen informatie minder goed in zich op.”

Als voorbeeld van onvoldoende aandacht voor het gedrag van de weggebruiker noemt De Goede het invoeren van 130 km/h als maximumsnelheid. “Het heeft ertoe geleid dat mensen op één plek informatie krijgen over snelheid, tijden en het gebruik van spitsstroken. Dynamische informatie wordt aangegeven met vaste borden. Dat leidt tot een informatie-overload. Dat gekoppeld aan het feit dat mensen niet weten dat 130 km/h de algemene uitgangssituatie is en de informatieborden de uitzonderingen aangeven, maakt het logisch dat mensen er niets mee kunnen. Zo’n overload aan informatie kan zich bij tunnels ook voordoen. De overgang van de gewone weg naar een tunnel en vice versa, kost relatief veel aandacht. Vanaf honderdvijftig meter voor het in- of uitrijden van de tunnel moet je niet te veel informatie willen geven. Mensen nemen het niet op, omdat andere zaken hun aandacht vragen. Houd daar dan ook rekening mee.”

Praktijkvoorbeelden

Het vooraf aan een simulatieonderzoek onderwerpen van een tunnelontwerp vindt nog maar mondjesmaat plaats. Het lijkt vaker te gebeuren als de opdrachtgever in kwestie ook de tunnelbeheerder is. In Nederland geldt dat bijvoorbeeld voor de Sluiskiltunnel. Daar heeft TNO vooral onderzoek gedaan naar het effect van het type verlichting. Maartje de Goede: “Daarbij ging het niet zozeer om een direct effect op de veiligheid, maar om het comfort van de weggebruiker. We weten bijvoorbeeld dat een doorgaande lichtlijn comfortabeler wordt gevonden dan verlichting om de zoveel meter, omdat dat een flikkereffect geeft.”

TNO is ook in een vroeg stadium betrokken bij het ontwerp voor de Fehmarnbelttunnel tussen Duitsland en Denemarken. In deze ruim achttien kilometer lange tunnel is comfortabel gebruik een belangrijk uitgangspunt. Het rijden in de tunnel mag niet monotoon worden en er is extra aandacht voor de informatievoorziening aan de weggebruiker. Ook daar geldt: hoe comfortabeler en hoe kleiner het verschil in ervaring tussen tunnel en gewone weg, des te kleiner de kans dat de weggebruiker zich onveilig gaat gedragen.

Leren langs de A9

Niet achteraf de balans opmaken, maar al leren tijdens het proces. Dat is de insteek van Rijkswaterstaat en IXAS bij de aanleg van de Gaasperdammertunnel. Samen met het COB is een aanpak ontwikkeld waarbij steeds tussentijds wordt geëvalueerd. Professor Marcel Hertogh (Triple Bridge), Frans de Kock (Rijkswaterstaat) en Peter Schouten (IXAS) presenteerden de resultaten van de aanbestedings- en dialoogfase tijdens het COB-congres.

De Gaasperdammertunnel is een van de vijf projecten binnen het wegverbredingsprogramma Schiphol-Amsterdam-Almere. Het gaat om een drie kilometer lange landtunnel (tweemaal de landtunnel in de A2 bij Leidsche Rijn) op de plek waar de A9 nu nog de scheiding vormt tussen de Bijlmermeer en Holendrecht. De grotendeels half verdiept aan te leggen tunnel omvat vijf buizen, waarvan een met een wisselstrook voor wisselende rijrichtingen. De tunnel moet de leefbaarheid in Amsterdam-Zuidoost verbeteren. De aanleg leidt tot afname van de geluidsoverlast, verbetering van de luchtkwaliteit en vermindering van filevorming in stadsdeel Zuidoost. Op de tunnel wordt een stadspark aangelegd. De werkzaamheden zijn in augustus 2015 gestart. De oplevering staat gepland voor einde 2020.

Toekomstschets gebiedsontwikkeling rond en op de A9. (Beeld: Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam)

Samen leren tijdens het proces is een van de uitgangspunten die door Rijkswaterstaat vooraf zijn benoemd. Frans de Kock, projectleider Rijkswaterstaat: “We willen gedurende het project zo veel mogelijk blijven werken met de mensen met wie we begonnen zijn. En we willen samen leren. Dat doen we door nieuwsgierig te zijn naar elkaar en elkaars belang. Dat is een cruciale factor voor succes.” Peter Schouten, namens Fluor Infrastructure de EPCM-projectdirecteur voor de Gaasperdammertunnel: “Transparantie is essentieel voor de samenwerking. Met Rijkswaterstaat hebben we sterk ingezet op samen leren. We hebben de stakeholders al in een vroeg stadium meegenomen in het project en daarbij vooral geprobeerd om kennisspecifieke individuen aan het project te binden. Door kennis te delen, komen we verder en zorgen we ervoor dat we de ervaring die we opdoen, na afloop ook kunnen vastleggen. Daarbij moet je als opdrachtnemer niet bang zijn dat je in je eigen voet zou schieten door te veel informatie prijs te geven. Bij een volgend project gelden toch weer andere eisen en begint iedereen op hetzelfde niveau.”

Beide partijen geven aan dat het belangrijk is kennisdeling te borgen. In de waan van de dag schiet dat er immers snel bij in. Frans de Kock: “De COB-aanpak, zoals bijvoorbeeld bij de Sluiskiltunnel, leidt ertoe dat we niet aan elkaar voorbijlopen. Zo’n tunnelproject vreet aandacht, en dan heb je een goede inrichting van je kennistraject nodig.” Marcel Hertogh, eerder al betrokken bij expertteams voor de Rotterdamsebaan, de Maastunnel en de Sluiskiltunnel: “Het betekent dat we gaan discussiëren over lessons learned en best practices. Mensen zijn zich vaak niet bewust van de kracht van hun eigen oplossingen. We moeten ervoor zorgen dat die kennis niet vervliegt. Verder brengen we kennis in van andere experts en uit andere projecten. Daarbij is het COB hoeder van het leerproces. We gaan de ervaringen van de Gaasperdammertunnel op wetenschappelijke wijze vastleggen en interpreteren, en vertalen naar algemeen geldende lessen, zoals we dat ook in het evaluatierapport over de Sluiskiltunnel hebben gedaan. Uitgangspunt in het leerproces is dat evaluatie de beste trainingservaring is. Gekoppeld aan de bouwfasering gaan we tevens elk jaar een evaluatiesessie doen.”

De eerste evaluatiesessie betrof de aanbestedings- en dialoogfase. Peter Schouten: “Dit is de eerste tunnel waarbij de Landelijke Tunnelstandaard (LTS) al in de contractfase is verwerkt. Dat betekent onder andere dat we veel meer gestructureerd aan onderdelen van het Product Convergentiefase Tunnel (PCT) werken. Binnen de op te richten special interest groups met mensen van IXAS en Rijkswaterstaat om het leren te faciliteren, concentreren we ons onder meer op de toepassing van de LTS.”

De eerste evaluatiesessie heeft tot een eerste reeks specifieke aanbevelingen (zie kader) geleid. Frans de Kock trekt daaruit al lessen die in de dagelijkse praktijk kunnen worden ingebracht: “Het echte ‘leren’ bestaat uit het gezamenlijk de tussentijdse lessen ophalen en uitdragen Van deze eerste sessie hebben we geleerd dat we moeten zorgen voor een gelijkwaardig kennisniveau. Partijen die eerder met mogelijke oplossingsrichtingen voor het project zelfstandig aan de slag gingen, bleken veel sneller op een gelijkwaardig kennisniveau te zitten. Daar moeten partijen zich bewust van zijn.”

Geleerde lessen aanbestedings- en dialoogfase

Gegadigden

  • Teams sneller mobiliseren om de ongelijkheid in het begin te reduceren.
  • Meer eigen ervaring inbrengen en minder leunen op derden.
  • Convergentie voor gunning heeft zin indien deze vanuit risico wordt gestuurd.
  • Proces zorgt voor begrip en kennis van systeem- en softwareontwikkelprocessen in tunnelproject.

Rijkswaterstaat

  • Overweeg intensieve team start-ups met gegadigden.
  • Geef meer tijd voor analyse bij afwijkende of aanvullende eisen ten opzichte van LTS. Onderzoek nut en noodzaak van uitwerken casus
  • (hoewel het veel inzicht gaf, is uitwerking nog niet optimaal).
  • Betrek beheerder nadrukkelijker in deze fase; industrie betrekt operations bij deze fase.
  • Analyse van convergentie en team workshop voor selectie helpt om gesteld te staan voor start op maat met iedere partij.

IXAS

  • PCT helpt om reeds tijdens de tender de juiste aandacht te krijgen voor veiligheidskritische functies.
  • PCT geeft vroeg het juiste beeld omtrent die systemen/processen die extra aandacht vragen tijdens het project.
  • IXAS blijft ‘leading’ in de ontwikkeling van PCT-producten met hulp van ketenpartners (onafhankelijkheid).
  • Het Configuratie and change management plan (CCMP) en Verificatie-en-validatieplan (V&V) moeten geen onderdeel van PCT zijn,
  • maar projectbreed ontwikkeld worden.
  • De Systems requirements analysis (SRA) werd door middel van openbare vragen en antwoorden uitgewerkt, hetgeen IXAS ervan
  • weerhield diepgang te vergroten/delen.
  • PCT geeft duidelijkheid, maar Rijkswaterstaat wilde zich niet te veel committeren aan een oplossingsrichting en keuzes maken.
  • PCT moet gericht zijn op projectspecifieke invulling van de LTS.

Rotterdam, Maastunnel

Ingang Maastunnel (foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

De Maastunnel in Rotterdam is niet alleen de oudste grote verkeerstunnel van Nederland, het is ook de eerste Nederlandse tunnel die is gebouwd volgens de afzinkmethode. De tunnel kruist de Nieuwe Maas en bestaat uit een rechthoekige koker waarin verschillende tunnelbuizen zijn gecombineerd. Naast twee buizen van circa zeven meter breed met twee rijstroken voor het autoverkeer gaat het om twee kleinere buizen voor fietsers en voetgangers. Deze twee buizen zijn bijna vijf meter breed en liggen boven elkaar. Ze zijn bereikbaar via roltrappen.

De aanleg van de Maastunnel was nodig om de bereikbaarheid van de Maasoevers te verbeteren, zonder hinder te veroorzaken voor het scheepvaartverkeer. De tunnel is in de eerste plaats een indrukwekkend civieltechnisch werk. Door de markante ventilatiegebouwen, de toegangsgebouwen en de fiets- en voetgangerstunnel, vormgegeven door stadsarchitect Van der Steur, is de tunnel ook een opmerkelijke architectonische verschijning.

Techniek

De toepassing van rechthoekige tunnelelementen was in 1937 een wereldprimeur. Tot dan toe werden voor afzinktunnels ronde elementen gebruikt met een diameter van maximaal tien meter. Men vreesde namelijk dat rechthoekige tunnels niet goed zouden zijn te funderen. Bij de Maastunnel werd het risico van een gebrekkige fundering geminimaliseerd door een nieuwe techniek toe te passen, het zogeheten onderspoelen. Na plaatsing van de elementen werd er zand onder en naast de tunnel gespoten om eventueel aanwezige holle ruimten onder de tunnel op te vullen. Deze techniek is sindsdien steeds verder verbeterd en wordt nog steeds gebruikt bij afzinktunnels, zoals bij de afzinktunnel onder het IJ van de Noord/Zuidlijn.

De negen afgezonken elementen van de Maastunnel zijn ruim zestig meter lang, negen meter hoog en vijfentwintig meter breed. Ze zijn gebouwd in een droogdok en vervolgens via water naar de tunnellocatie gesleept. Daar zijn ze afgezonken in een gebaggerde sleuf van maximaal drieëntwintig meter diep.

De Maastunnel heeft enkele opvallende kenmerken. Zo is rond de betonnen constructie een stalen bekleding gemaakt om lekkage te voorkomen. Een ander opvallend kenmerk is dat de ventilatiekanalen niet boven de tunnelbuizen zitten, maar onder het wegdek.

Ventilatiegebouw. (Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Renovatie

Tijdens onderhoud aan de ventilatiekanalen in 2011 bleek dat ze zijn aangetast door betonrot, evenals de vloer van de autotunnels. Gezien de ernst van de aantasting dacht de gemeente Rotterdam in eerste instantie dat de tunnel in 2015 een jaar volledig dicht zou moeten voor herstel. Nader onderzoek heeft aangetoond dat de schade minder ernstig is en er meer tijd is voor de herstelwerkzaamheden.

Inmiddels is de renovatie gestart. De gemeente heeft 262 miljoen euro hiervoor gereserveerd. De dochterondernemingen Croon, Mobilis en Wolter & Dros van Bouwgroep TBI gaan de werkzaamheden uitvoeren. Een van de uitdagingen is dat de ruim zeventig jaar oude tunnel een rijksmonument is. Dat betekent onder meer dat de ‘look and feel’ van de tunnel behouden moeten blijven en authentieke elementen niet verloren mogen gaan.

Bij de grootschalige renovatie worden onder meer de bestaande rijvloeren verwijderd en vervangen door nieuwe. Verder worden nieuwe installaties aangebracht voor bijvoorbeeld de ventilatie, de intercominstallatie en de verkeersdetectie en -signalering. Dit is nodig om te voldoen aan de wettelijke eisen op het gebied van tunnelveiligheid. Ook wordt de bedieningscentrale verplaatst naar de gemeentelijke verkeerscentrale bij het knooppunt Kleinpolderplein. De planning is dat al deze werkzaamheden in 2019 aan het einde van de zomer zijn afgerond.

Voorafgaand aan de renovatie vonden in de eerste drie maanden van 2016 voorbereidende werkzaamheden plaats. Het ging hierbij om het verwijderen van de plafondcoating en de zwakke plekken in het beton van de plafonds. Ook de zogeheten schampkanten (het onderste deel van de tunnelwanden) zijn weggehaald. Er werd nieuw beton aangebracht en de geroeste wapening is gezandstraald en opnieuw gecoat. Deze werkzaamheden zijn ’s nachts en in de weekenden uitgevoerd.

Tijdens de voorbereidende en de renovatiewerkzaamheden wordt steeds één tunnelbuis afgesloten. De andere tunnelbuis is alleen te gebruiken voor verkeer van zuid naar noord. Hiervoor is gekozen om de binnenstad en het Erasmus Medisch Centrum goed bereikbaar te houden. Verkeer van noord naar zuid wordt omgeleid via de Erasmusbrug, de Willemsbrug en de ring. Om de verkeersoverlast te minimaliseren, ontwikkelde de gemeente een bereikbaarheidsplan. De voetvoetgangers- en fietstunnel blijven tijdens de renovatiewerkzaamheden gewoon open. Deze twee tunnels worden, evenals een aantal andere ruimten van de tunnel, in 2019 en 2020 aangepakt.

Afzinkspecialist

Sinds de bouw van de Maastunnel heeft Nederland zich ontwikkeld tot de mondiale afzinkspecialist. Van de ruim vijftig afzinktunnels in Europa liggen er eenendertig in ons land (zie het boek ’40 jaar passie voor ondergronds bouwen’, p. 35). De bouw van deze tunnels heeft de kennisontwikkeling een enorme impuls gegeven en geleid tot allerlei innovaties. Denk aan het GINA-profiel dat zorgt voor een waterdichte aansluiting van de tunnelelementen, en koeling van beton om scheurvorming bij de productie van tunnelelementen te voorkomen. Wereldwijd maken landen gebruik van de Nederlandse expertise.

Leren van oefeningen en incidenten

Evaluaties van oefeningen en incidenten in tunnels laten steeds dezelfde leerpunten zien. Een werkgroep vanuit het COB-platform Veiligheid heeft deze leerpunten verzameld en daarmee een handreiking gemaakt voor het collectief leren en delen van oefen- en incidentevaluaties in tunnels.

Net als op de ‘gewone’ weg komen er ook in tunnels ongelukken en andere incidenten voor. Om de tunnel veilig te houden, is er daarom een wettelijke verplichting om jaarlijks aan opleiden, trainen en oefenen (OTO) te doen. In de Ravw staat bijvoorbeeld: ‘De tunnelbeheerder draagt ervoor zorg dat met betrekking tot een tunnel ten minste eenmaal in de vier jaar een realistische oefening en in elk tussenliggend jaar een gedeeltelijke of simulatieoefening wordt uitgevoerd.’ Tijdens een bijeenkomst van het platform Veiligheid kwam naar voren dat de invulling van de wettelijke eisen in de praktijk sterk wisselt; er wordt veel geoefend, maar telkens op een andere manier. Ook het evalueren van incidenten gebeurt niet systematisch en ervaringen worden nog te weinig gedeeld, waardoor er niet geleerd wordt.

Vanuit het platform Veiligheid werd een werkgroep gestart om de leerpunten te verzamelen die steeds bij oefeningen en evaluaties terugkomen. Aan de hand hiervan is een publicatie opgesteld om het het collectief leren en delen van oefen- en incidentevaluaties te stimuleren. De publicatie is is primair bedoeld voor alle direct bij het oefen- en evaluatieproces betrokken partijen, zoals tunnelbeheerders, veiligheidsbeambten, hoofden van bedien- en meldcentrales, hulpdiensten en toezichthoudende partijen.

Tijdens een speciale ‘platform+’-bijeenkomst op dinsdag 6 maart 2018 is de handreiking gepresenteerd. De pdf is gratis te downloaden vanaf de kennisbank.
>> Naar ‘Al doende leert men’ op de kennisbank

Deelnemers

Klik op het bedrijfslogo voor de deelnemende personen:

ARCADIS Nederland BV

Locatie: Amersfoort, Piet Mondriaanlaan 26
Leander Noordijk, rol: Deelnemer
Peter de Kok, rol: Deelnemer
Stefan Lezwijn, rol: Deelnemer

Brandweer Amsterdam-Amstelland

Locatie: Amsterdam, Karspeldreef 16
Ron Beij, rol: Deelnemer
Brandweer Kennemerland

Brandweer Kennemerland

Locatie: Haarlem, Zijlweg 200
Roland Joustra, rol: Deelnemer

COB

Locatie: Delft, Van der Burghweg 1
Edith Boonsma, rol: Begeleider/Facilitator
Leen van Gelder, rol: Coordinator
, rol: Opdrachtgever

Croonwolter&dros

Locatie: Roosendaal, Ettenseweg 20
Ronald de Weerd, rol: Deelnemer

Instituut Fysieke Veiligheid

Locatie: Arnhem, Kemperbergerweg 783
Hans Spobeck, rol: Deelnemer
Reinier Boeree, rol: Deelnemer

Movares

Locatie: Utrecht, Daalseplein 100
Nils Lundgren, rol: Deelnemer

NedMobiel

Locatie: Breda, Haagweg 1
Roel Scholten, rol: Deelnemer

Rijkswaterstaat GPO Grote Projecten en Onderhoud

Locatie: Utrecht, Griffioenlaan 2
Gerda Keereweer-de Jong, rol: Deelnemer

Rijkswaterstaat PPO Programma's, Projecten en Onderhoud

Locatie: Haarlem, Toekanweg 7
Frenk Swaak, rol: Deelnemer
Rijkswaterstaat VWM Verkeer en Watermanagement

Rijkswaterstaat VWM Verkeer en Watermanagement

Locatie: Utrecht, Papendorpseweg 101
Jan Ursem, rol: Deelnemer

Royal HaskoningDHV

Locatie: Nijmegen, Jonkerbosplein 52
Albert Houthuijzen, rol: Deelnemer

Schiphol Nederland B.V.

Locatie: Schiphol, Evert van de Beekstraat 202
Hans van Brug, rol: Deelnemer

Sweco Nederland B.V.

Locatie: De Bilt, De Holle Bilt 22
Erik Schermer, rol: Deelnemer

Westerscheldetunnel N.V.

Locatie: Borssele, Westerscheldetunnelweg 1
Jan Verbrugge, rol: Deelnemer
Individuele deelnemers

Evert Worm, rol: Deelnemer

SOS: Meer meten met infrarood

Hoe kan data helpen tunnels veiliger te maken? Bieden nieuwe technieken of inzichten kansen om de veiligheid te verhogen of de veiligheid op niveau te houden met hogere beschikbaarheid of tegen lagere kosten? Ontwikkelingen op ICT-gebied gaan snel. Meer rekenkracht en daaruit volgende snellere verwerking van data, maken het zinvol bestaande oplossingen tegen het licht te houden. In de Westerscheldetunnel is een proef gedaan met infraroodsensoren als basis voor het snelheidsonderschrijdingssysteem (SOS). Daaruit blijkt dat de beperkingen van bestaande systemen met detectielussen, kunnen worden weggenomen.

Het bedrijf Soltegro heeft op eigen initiatief een SOS ontwikkeld en vervolgens de N.V. Westerscheldetunnel bereid gevonden mee te werken aan een proefopstelling. “Ontwikkeling in eigen beheer is wellicht ongebruikelijk”, zegt commercieel directeur Jan-Martijn Teeuw van Soltegro, “maar past wel bij onze werkwijze. Wij positioneren ons tussen ingenieursbureaus en automatiseringbedrijven in. Bij ons werken veel ICT-specialisten, maar ook elektrotechnisch en werktuigkundig ingenieurs. Met die disciplines werken we op een integrale manier aan projecten. En dat brengt met zich mee dat wij ook anders tegen problemen aankijken.”

Manager systems engineering en innovatie Franc Fouchier legt uit wat dat in de praktijk inhoudt: “De ervaring die wij hebben opgedaan in de softwarewereld projecteren we op de civieltechnische wereld. Dat betekent dat je eerst een probleem goed analyseert zonder daarbij al oplossingsrichtingen in het achterhoofd te hebben en pas in tweede instantie kijkt naar de combinatie van technieken die je kunt inzetten om dat probleem op te lossen. In de praktijk is deze aanpak vaak niet mogelijk, omdat bepaalde oplossingen zijn voorgeschreven. Zo staat in de tunnelstandaard dat je voor snelheidsmeting inductielussen moet toepassen. In onze optiek heb je voor een optimale oplossing keuzevrijheid nodig. Daarom konden we het SOS dat we in de Westerscheldetunnel hebben getest ook alleen maar in eigen beheer ontwikkelen.”

“In onze optiek heb je voor een optimale oplossing keuzevrijheid nodig.”

Elk voertuig meten

Met een SOS kan worden gedetecteerd of de snelheid van voertuigen op een willekeurig punt te laag wordt en er daardoor gevaarlijke situaties ontstaan die bijvoorbeeld kunnen leiden tot kop-staartbotsingen. Het gebruik van inductielussen om snelheidsverschillen te detecteren kent een aantal beperkingen. Er wordt alleen gemeten op de plaats van de lus, en defecten aan een inductielus leiden bij vervanging vrijwel altijd tot verminderde beschikbaarheid van de tunnel. Jan-Martijn Teeuw: “Met onze sensoren zijn we in staat elk voertuig in de tunnel uniek te detecteren. Je volgt het bewegende object en dat biedt meer mogelijkheden. Je verzamelt meer informatie. Met behulp van software kun je detecteren of voertuigen afwijkend gedrag vertonen. Het gaat dus verder dan alleen detecteren of een willekeurig voertuig op een bepaalde plaats onder een minimumsnelheid komt. Bovendien kun je door bijvoorbeeld een kapotte sensor een meting missen en nog steeds een betrouwbaar resultaat hebben.”

In de Westerscheldetunnel is het systeem van Soltegro op een deel van het traject geïnstalleerd, naast het bestaande systeem. De wegverkeersleiders hebben beide systemen gemonitord en Soltegro feedback gegeven. In een halfjaar tijd zijn enorm veel meetgegevens verzameld. Daaruit blijkt dat de betrouwbaarheid van het systeem bijzonder hoog is. De mensen van de Westerscheldetunnel hebben beaamd dat het goed heeft gefunctioneerd. “De betrouwbaarheid is cruciaal”, vindt Jan-Martijn Teeuw. “Als systemen te vaak valse meldingen geven, is het gevolg dat wegverkeersleiders het niet meer serieus nemen en ook niet reageren als er wel iets aan de hand is. Dan neemt de veiligheid per definitie af.”

Tijd in plaats van afstand

Implementatie van een SOS met infraroodsensoren vindt, net als bij gebruik van detectielussen, plaats op basis van een risicoanalyse. Bij een steile uitrit, zoals bij de Westerscheldetunnel, mag je verwachten dat de snelheid van vrachtwagens sneller terugloopt. In zo’n situatie zal bij beide systemen sprake zijn van meer meetpunten dan in een vlak deel van de tunnel. Het verschil zit in de meeteenheid. Bij gebruik van detectielussen is er per definitie sprake van afstand. Met de sensoren wordt gemeten in tijd, en is het ook mogelijk om meer dan alleen snelheidsverschillen te detecteren.

Franc Fouchier: “Met infrarood detecteren we bijvoorbeeld ook of al het verkeer ineens naar één baan opschuift. Dat kan voor de wegverkeersleiding een teken zijn dat er sprake is van bijvoorbeeld afgevallen lading, langzaam rijdend verkeer of stilstand. En de data die je verzamelt kun je ook gaan gebruiken om verkeersbewegingen te voorspellen. Het is voorstelbaar dat je met dit systeem ruim van tevoren kunt voorspellen waar en wanneer filevorming ontstaat en dat je vanuit het systeem vervolgens meteen deze informatie naar in-carsystemen verstuurt. Daar kun je overigens de wegverkeersleider als buffer tussen zetten. Het is maar net wat de wegbeheerder wil.”

Gebruikersinterface van het ontwikkelde SOS. (Beeld: Soltegro)

Waar gaat dat naartoe?

“In de wereld van het ‘Internet of Things’ krijgen we steeds meer situaties waarin systemen beslissingen gaan nemen”, vervolgt Franc. “Wij verwachten dat het die kant op gaat. Vandaar onze integrale visie en de keuze om niet de omgeving te detecteren, maar het object dat in die omgeving beweegt. De informatie die door het object wordt gegenereerd, opent nieuwe toepassingsmogelijkheden.” Jan-Martijn Teeuw: “We richten ons nu in eerste aanleg op tunnels, maar er kan natuurlijk veel meer met deze techniek. Je kunt er bijvoorbeeld ook mee detecteren hoe voertuigen in een parkeergarage bewegen. Voor ons is de volgende stap om in gesprek te gaan met beheerders van tunnels waar detectielussen echt niet voldoen. In de praktijk van de tunnelstandaard zie je nu al wel dat er ruimte komt voor projectspecifieke afwijkingen en er wordt al gesproken in termen van ‘standaard of gelijkwaardig’. Daar liggen kansen voor deze vorm van detectie, maar formeel zou de toepassing nu alleen kunnen in niet-rijkstunnels.”

Dit was de Onderbreking Tunnels en veiligheid

Bekijk een ander koffietafelboek: