Loading...

De Onderbreking

Verbinden

Verbinden

Maastunnel: veilig, functioneel monument

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Wat maakt een projectteam succesvol

Rotterdam kiest voor de verbeelding

Afstudeeronderzoek: ondergrond als uitgangspunt

Samenwerking bij de Neherkade

Assen, Drents Museum

Tunnelstandaard in de praktijk

Serious game Terra Tactica

Kennisbank

Verbinden

Uit de trends blijkt dat de complexiteit van ondergrondse opgaven alleen maar groeit. Complexiteit vraagt niet alleen om een integrale aanpak en een integraal ontwerp. Adaptief ontwikkelen en ontwerpen zal het uitgangpunt worden, naast het innovatief combineren van vakgebieden. Voor het COB betekent dit dat projecten gericht op het leren samenwerken en het ontwikkelen van ‘zachte vaardigheden’ nog belangrijker worden. Hierbij gaat het vaak om het combineren van sociale intelligentie en technische intelligentie. Zelfs vakgebieden die dicht naast elkaar werken, zoals de mensen van de ondergrond en de ruimtelijke ontwikkelaars, vinden en begrijpen elkaar niet zomaar, en vaak al helemaal niet in een vroeg stadium van gebiedsontwikkeling.

Daarnaast is er de zoektocht naar effectieve manieren om bestaande kennis vast te houden, nieuwe kennis te ontwikkelen en beide bij betrokkenen te laten doorwerken. Ook hier is verbinden het toverwoord: kennis moet ‘stromen’ om ervan te leren en als sector vooruitgang te boeken. Daarbij moet ook naar het buitenland worden gekeken; kennisontwikkeling stopt niet bij de landsgrenzen. Internationaal ervaringen uitwisselen en samenwerken draagt in alle landen bij aan een hoger kennisniveau. Het COB ziet zichzelf als dé partij om deze opgave voor het vakgebied ondergronds bouwen op te pakken en samen met het netwerk uit te werken.

Er ontstaan ook ‘verbindingsopgaven’ door de toenemende invloed van ICT. Niet alleen binnen tunnelveiligheid, maar ook op het gebied van kabels en leidingen moeten verschillende vakgebieden vaker met elkaar samenwerken. Alles heeft intelligentie, alles heeft sensoren; de rol van experts verandert. Gaat open source technologie zijn intrede doen in de sector? Er komt monitoringdata uit diepwanden, kabels en leidingen, tunnelboormachines, gebouwen en de ruimte: wie maakt van data kennis, waar leggen we ervaringen vast? Wat zou er gebeuren als we meer data gaan delen? Zowel op de TU Eindhoven als bij de UvA zijn hoogleraren Big data aangesteld. Welke kansen zien zij voor de wereld van het ondergronds bouwen? Het COB heeft de ambitie om het netwerk uit te breiden met participanten die niet rechtstreeks betrokken zijn bij ondergronds bouwen, maar er wel mee te maken hebben, zoals energiebedrijven. Op die manier kunnen de opgaven effectiever opgepakt worden.

Het verbinden van vakgebieden is een methode om een verbeterslag te maken. Er is veel interessante kennis binnen hele andere vakgebieden: kennis uit de medische wereld kan ons helpen omgaan met de complexiteit van kabels en leidingen, de landbouw is sterk in het snel doorvoeren van innovaties, chemische installaties leren ons hoe je risicomanagement professionaliseert. We denken dat het COB als belangrijke taak heeft om deze kennis en ervaringen te presenteren en ons netwerk te prikkelen er gebruik van te maken. We zijn ervan overtuigd dat ook hier de 80/20-regel geldt: tachtig procent van de kennis is er al (in andere vakgebieden) en wij moeten ons concentreren op de twintig procent unieke kennis die de wereld van het ondergronds bouwen nodig heeft.

(Foto: Vincent Basler)

De Maastunnel in Rotterdam werd in 2012 als eerste tunnel in Nederland uitgeroepen tot rijksmonument. Bij de restauratie/renovatie van de tunnel werken Combinatie Aanpak Maastunnel en de gemeente Rotterdam samen om de wensen en eisen vanuit tunnelveiligheid en monumentenzorg zorgvuldig op elkaar af te stemmen. Buro van Stigt uit Amsterdam werd aangesteld als intermediair tussen Monumentenzorg en de gemeente Rotterdam om de monumentale waarden van de tunnel te bewaken en bewaren.

“Op het moment dat je met een rijksmonument te maken hebt, gaan allerlei zaken spelen. De veiligheidseisen kunnen botsen met de eisen van monumentenzorg”, vertelt Rinus Braam van Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam. “We zijn al in januari 2016 met alle partijen samen gaan zitten om het project voor te bereiden”, zegt Dieter van Staveren van Mobilis/TBI. Het doel is om de oorspronkelijke tunnel uit 1942 zo veel mogelijk te benaderen. Van de in de periode 1937-1942 door de gemeente Rotterdam in eigen beheer gebouwde tunnel is veel documentatie bewaard gebleven. “Maar omdat in die tijd anders met informatie werd omgegaan en bijvoorbeeld niet werd bijgehouden waar asbest werd gebruikt, hebben we veel onderzoek moeten doen”, aldus Rinus Braam.

“Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.”

Dieter van Staveren: “We hebben een heel convergentiejaar gebruikt om alle aspecten van de renovatie af te stemmen. In dat jaar hebben we in de nachtelijke uren al allerlei proeven uitgevoerd. Bijvoorbeeld ten behoeve van de langsverlichting, maar ook het nabouwen van de leuningen van het inspectiedek en het aanbrengen van proefvlakken met geel asfalt.” Rinus Braam: “Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.” Dieter van Staveren: “Je probeert iedereen in zijn waarde te laten, maar intussen wel door te pakken en door middel van onderzoek zo veel mogelijk te voorkomen dat je tegen onvoorziene zaken aanloopt.”

Focus op uitstraling
Bij de restauratie van een monument als de Maastunnel is vooral van belang dat de uitstraling van het object behouden blijft. Er kunnen andere materialen worden toegepast zolang kleur en vorm behouden blijven. De originele lagedruknatriumlampen worden vervangen door ledlicht. Na uitgebreide proeven is een kleur geel gevonden die niet te onderscheiden is van het origineel. Bij calamiteiten kan worden geschakeld naar wit licht, conform de veiligheidseisen. De gietijzeren armaturen aan de binnenzijde van de tunnel blijven gehandhaafd. Vervangende armaturen worden volgens de oorspronkelijke specificaties opnieuw gegoten. In een aantal gevallen wordt de oorspronkelijke uitstraling juist hersteld. Zo krijgt het asfalt de gele kleur van de oorspronkelijke klinkertjes.

Een vluchtdeur in de tunnel, lees meer in het blog van maastunnel.nl. (Foto: facebook.com/maastunnel)

Dieter van Staveren: “We brengen ook de oorspronkelijke leuningen langs het inspectiepad weer terug. Die waren in de jaren tachtig vervangen. De oorspronkelijke leuningen hebben echter niet de tussenregel die nu wel wettelijk verplicht is, en zijn niet 1,10, maar 0,85 meter hoog. Omdat de leuningen op het inspectiepad staan en in de praktijk nauwelijks worden gebruikt, konden we hier gemotiveerd van de regels afwijken en hebben we een ontheffing op de bouwvergunning gekregen.” Ook ten behoeve van de brandwerendheid moest een compromis worden gesloten. Rinus Braam: “Het plafond van de tunnel is afgewerkt met vuurvaste chamottetegels. Die zijn nauwelijks meer te krijgen. We gebruiken hiervoor Promatect, dat met wapening en stucwerk zodanig wordt afgewerkt, dat het beeld gelijk blijft aan dat van de oorspronkelijke toepassing.” De uitstraling van de hulppostkasten moest vanwege de wettelijke eisen wel veranderen. De kasten worden vanwege de zichtbaarheid rood en kunnen dus niet de kleur van de wandtegels behouden.

Een van de grootste opgaven was het toepassen van de wettelijk vereiste langsventilatie zonder het beeld in de tunnel aan te tasten. Dat is opgelost met een verhoogd tunneldak en een nieuw tussenplafond, waar de ventilatoren aan de buitenzijde van de tunnel tussen zijn geplaatst. De tunneltechnische installaties die verplicht zijn volgens de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw), waaronder luidsprekers en camera’s, zijn zo veel mogelijk geclusterd, zodat de impact op de uitstraling van de tunnel beperkt blijft. Ook ten aanzien van de vluchtroutes werd een compromis bereikt. Door extra trapjes te plaatsen werd voorkomen dat de originele betonnen schampkant gesloopt moest worden.

Anticiperen
Ondanks de goede voorbereiding komen de uitvoerders tijdens de renovatie onverwachte zaken tegen. Bijvoorbeeld toen bleek dat de bestaande wandtegels een veel lagere hechtingsbelasting hadden dan aangenomen, en 17.500 m² replicategels uit Spanje geïmporteerd moesten worden. Vertraging in de voorbereiding is dan onvermijdelijk, terwijl de planning – met twee keer een eenzijdige afsluiting van zomer tot zomer – heilig is. Dieter van Staveren: “We hebben van tevoren gezegd dat we van de beschikbare 52 weken er maar 46 wilden gebruiken. Zo hadden we zes weken voor ‘onvoorziene zaken’.” “En”, vult Rinus Braam aan, “we hebben nog wat optimalisatie in de planning weten te realiseren. Van de buffer uit het eerste jaar hebben we nu (december 2017, red.) drie weken gebruikt. Dus we zitten goed op schema.” Dieter van Staveren: “We zijn er zeker van dat we de eerste tunnelbuis in juli kunnen overdragen aan de opdrachtgever. Volgend jaar zullen we vermoedelijk efficiënter kunnen werken, omdat we hebben geleerd in de eerste buis en niet meer voor verrassingen komen te staan.”

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

In succesvolle projectteams kun je niet meer zien wie opdrachtgever en wie opdrachtnemer is

“Dit jaar is het zestig jaar geleden dat de term projectmanagement werd geïntroduceerd. En nog steeds loopt veertig procent van de grote projecten uit de rails. We doen hetzelfde kunstje steeds opnieuw, in de hoop dat het dit keer wel goed gaat. Wat we doen, is letterlijk wat Einstein waanzin noemde: ‘Insanity is doing the same thing over and over again and expecting different results.’” Volgens Hans Bakker, buitengewoon hoogleraar Management of Engineering Projects aan de TU Delft, is het hoog tijd dat het roer omgaat.

“In projectmanagement ligt de nadruk op tools, procedures en techniek. Daarnaast is het mensenwerk. Mensen moeten samenwerken. Naadloos. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Als ik kijk naar voorbeelden uit de periode dat ik bij Shell werkte, zie ik dat projecten succesvol zijn als je niet meer kunt zien wie opdrachtgever en wie opdrachtnemer is. Je moet zo vroeg mogelijk in het project geïntegreerd gaan werken en alle partijen die een belang hebben, erbij betrekken. Dat geldt in ieder geval voor leveranciers en aannemers. Het probleem is echter dat die integrale samenwerking bij techneuten niet vanzelf gaat. De sector is redelijk conservatief. We hebben nieuwe technische mogelijkheden, zoals werken in 3D, maar het is toch nog vaak zo dat de man op de bouwplaats pas aan het werk gaat als hij een A0-tekening heeft. Het gaat dus ook om verandermanagement.”

“Je moet samen helder hebben voor wat voor succes je wilt gaan. Is dat snelheid, geld, klanttevredenheid, veiligheid?”

“Wil je de menselijke component voldoende borgen in je project, dan moet je aan vier voorwaarden voldoen. Ten eerste een geïntegreerde aanpak waarbij uitvoerende partijen al vroeg aan tafel zitten. Daarnaast moet je voldoende tijd inbouwen voor wat we front-end development noemen. Je moet samen helder hebben voor wat voor succes je wilt gaan. Is dat snelheid, geld, klanttevredenheid, veiligheid? Ten derde moet je risicomanagement serieus nemen. Iedereen zegt wel dat dat laatste belangrijk is, maar hoe vaak kom je er in de praktijk daadwerkelijk op terug? En wie is de eigenaar? En, de vierde voorwaarde: stakeholdermanagement. Dat is zeker bij grote projecten heel erg belangrijk. Daarmee creëer je oplossingen zoals in Maastricht. Daar werd jaren gesteggeld over een oplossing voor de A2, tot er vanuit stakeholderbelang werd omgedacht naar een stadsontwikkelingsproject. Nu heet het project geen tunnel, maar de Groene Loper.”

Zes succesfactoren

Hans Bakker noemt tijd, geld, kwaliteit, veiligheid, klanttevredenheid en ingebruikneming de zes factoren die samen het succes van een project bepalen. “Als je daarvan uitgaat, heb je nog niet automatisch alle stakeholders te pakken, maar je hebt in ieder geval alle factoren benoemd die bepalen of een project geslaagd is.” Met name de klanttevredenheid komt er volgens hem vaak bekaaid af. “De vraag is: wie is die tevreden klant? Klanttevredenheid wordt afgemeten aan de werking van de techniek. Er wordt geredeneerd dat aan de klanteis is voldaan als alle technische eisen zijn ingevuld. Maar heb je een tevreden klant, als gebruikers van de Coentunnel in de war raken van de verlichting? Bij de Gaasperdammerweg heb ik me afgevraagd of gebruikers zich straks niet een aap schrikken als er wordt ingevoegd in de tunnel. Voor dat probleem heeft men dan ook een verkeerspsycholoog ingeschakeld. Zo wordt het effect op de gebruiker goed meegewogen.”

Integraal project

Hans Bakker was een van de auteurs van de publicatie Evaluatie Sluiskiltunnel. “Bij dat project heeft de directie van BV Kanaalkruising Sluiskil (BV KKS) het project van onderop opgebouwd. De stakeholders zijn vroeg in het proces betrokken. Men heeft integraal gekeken, van de kantine tot de veiligheidsbeleving. Toch zie je dat die aanpak nog niet zodanig is geland dat het automatisch naar andere projecten wordt doorgetrokken. De vraag is hoe je een vanuit menselijk gedrag bezien goede aanpak verder kunt brengen. Wat je nodig hebt, is dat werknemers zich die aanpak niet meer laten ontnemen. Dan kan er een olievlekwerking ontstaan.”

“Wat je nodig hebt, is dat werknemers zich die aanpak niet meer laten ontnemen.”

“We moeten toe naar zogeheten collaboratieve contracten, die ruimte bieden aan echte samenwerking. Ook binnen de bestaande wet- en regelgeving kun je contracten sluiten die wel tot integrale samenwerking leiden. Denk bijvoorbeeld aan betaalde ontwerpcompetities. Nu zijn contracten vaak zo dichtgetimmerd dat innovatieve inbreng door de uitvoerende partij niet mogelijk is. Ik zie dat Rijkswaterstaat stappen zet richting een andere aanpak. Dat blijkt ook uit onderzoek van mijn studenten. Landelijke opdrachtgevers zijn eerder bereid tot innovatieve oplossingen en steken gunstig af tegen regionale en lokale opdrachtgevers, die vaker angst tonen. Bij Rijkswaterstaat zie ik al wel tijdige inschakeling van de innovatiekracht van de markt door een competitieve dialoog aan te gaan. Ik geloof in die aanpak, omdat als je langer de tijd hebt om uit te zoeken of je het met elkaar kunt vinden, je tot een competitie op basis van ontwerp kunt komen én je tot een integrale, effectievere planning kunt komen.”

“Ik zie overigens in de breedte verbetering. Er wordt vaker gekeken wat goed en fout ging, en projectmanagers zijn trots genoeg om de uitdaging op te pakken. Het is bijvoorbeeld mooi te zien dat infrabeheerders in een vroeg stadium bijeenkomen om de vervangingsvraag voor bruggen en sluizen te bespreken en daar bijvoorbeeld ook aspecten als energiewinning in te betrekken.”

Wederzijdse nieuwsgierigheid

Het COB-rapport Wederzijdse nieuwsgierigheid biedt concrete handvatten voor het structureel en planmatig managen van ‘zachte factoren’ in een projectteam, waardoor gezamenlijke projectdoelstellingen haalbaar worden. Het sturen op zachte factoren kan gezien worden als onderdeel van volwassen risicomanagement. Het vergemakkelijkt de coördinatie, zorgt voor een betere binding met het project en draagt bij aan het gevoel dat een gezamenlijke klus wordt geklaard. Wederzijdse nieuwsgierigheid was dan ook een speerpunt van de koplopergroep, een gezamenlijk initiatief van de Landelijk Tunnelregisseur en het COB om een impuls te geven aan integraal werken binnen tunnelprojecten.

Rotterdam kiest voor de verbeelding

Dromen is een woord dat regelmatig terugkomt in een gesprek met Ignace van Campenhout, Kees de Vette en Petra van der Lugt van Ingenieursbureau Rotterdam. Zij werken al langer aan het zichtbaar maken van de ondergrond en het betrekken van die ondergrond bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Nu hebben zij hun pijlen ook gericht op bestuurders en jongeren.

Bijna drie jaar geleden presenteerde Ignace van Campenhout tijdens het COB-congres al de ‘stoplichtenkaart’; een eenvoudige hulpmiddel dat planontwikkelaars in een oogopslag laat zien waar je makkelijk iets in de ondergrond kunt doen en waar je zeker voor hoge kosten komt te staan. Er werd ook een begrippenkader ontwikkeld, waarbij begrippen uit respectievelijk de planologie en de ondergrond in een matrix tegen elkaar worden afgezet.

Anno 2013 zijn het nut en het belang van deze aanpak in de praktijk aangetoond. Met de stoplichtenkaart en wat daarna volgde heeft de ondergrond steviger op de kaart gezet. Ignace van Campenhout: “In de matrix wordt duidelijk waar de belangen van de verschillende disciplines elkaar versterken en waar ze elkaar juist in de weg zitten. Afstemming is niet voor elke postzegel noodzakelijk. Maar waar afstemming aan de orde is, gebruiken we dit systeem. Dat is als verplichting vastgelegd. We maken er nu ook gebruik van bij de ontwikkeling van de projecten Stadshavens, Central District, het Masterplan Ondergrond Binnenstad en Hart van Zuid.”

Verleiden

Een en ander was onderdeel van een bewustwordingsproces dat al in 2005 door het toenmalige ministerie van VROM werd aangeslingerd met het programma Ruimtelijke Ordening Ondergrond. Samen met Utrecht, Enschede en Arnhem nam Rotterdam het voortouw om de ondergrond zichtbaar te maken en inzicht te geven in kosten en baten. Ignace van Campenhout: “Dat was voor ons het startpunt om integraal naar de ondergrond te gaan kijken. De primaire vraag luidde toen: ‘Hoe kunnen we gebiedsontwikkelaars verleiden om de beschikbare informatie over de ondergrond vroegtijdig te gaan gebruiken?’ We organiseerden sessies met kaarten met levende legenda’s. En we zijn er na aanvankelijke scepsis daadwerkelijk in geslaagd plannenmakers te verleiden. Maar er kwamen ook andere zaken naar boven, waardoor we ons realiseerden dat het onvoldoende meewegen van de ondergrond in besluitvorming een communicatieprobleem is.”

“We kwamen tot de conclusie dat we eerder in het proces moesten instappen. Daaruit is de serious game ontstaan; een 3D-omgeving voor bestuurders. Daarmee kunnen we eenvoudig laten zien welke keuzes er zijn. Er zit een rekenmodel achter. Als je iets aanpast, zie je meteen de consequenties daarvan. De basis is een 3D-model met alle functies, vergelijkbaar met de SKB-BodemTool, waar een gameschil omheen is gebouwd. In de uitvoering is samengewerkt met TNO, Deltares, Ambient, Tygron en het COB. In het voorjaar van 2013 zijn we daadwerkelijk begonnen met het bouwen van de serious game. We verwachten dat een en ander medio 2014 is afgerond.”

“Bestuurders overtuigen is al een stap verder terug in het proces. Maar we wilden verder. Naar middelbare scholen. Naar het moment voordat bestuurders bestuurders worden. Als je medestanders wilt, moet je ervoor zorgen dat mensen goed zijn voorgelicht. De verbeelding is de basis. We willen ze laten dromen. Net als een architect met een droom kan overtuigen om een toren op Zuid te bouwen, willen wij mensen naar de mogelijkheden van de ondergrond laten kijken. Steeds weer samen kijken naar wat er mogelijk is.”

GeoWeek

Het programma voor het benaderen van jongeren staat nog in de kinderschoenen, maar er zijn al wel veelbelovende initiatieven ontwikkeld. Zo werd in april 2013 in het kader van de GeoWeek een rondleiding samengesteld.

Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) heeft samen met een veertigtal organisaties de GeoWeek opgezet om binnen het vak aardrijkskunde praktisch aan te sluiten bij de huidige maatschappelijke en economische ontwikkelingen. (Foto: Peter Dorsman)

Leerlingen van het Develstein College uit Zwijndrecht en hun leerkracht aardrijkskunde verkenden het centrum van Rotterdam en stonden stil bij archeologie en ondergrondse bouwwerken en infrastructuur. Vooraf klassikaal opgestelde vragen over grondstoffen, aardbevingen, vervuiling, kabels en leidingen, verzakkingen en nog veel meer werden tijdens de rondleiding beantwoord. Aardrijkskundedocent Willy Diekerhof: “Wij hebben het als heel bijzonder ervaren om een educatief uitje op deze manier aan te pakken. De jongeren vonden het een leerzame en leuke middag.”

Ignace van Campenhout: “We hebben de verbinding tussen de ondergrond en de bovengrond kunnen maken en aan de hand van oude foto’s een vergelijking tussen het oude en het nieuwe Rotterdam kunnen bieden. De handout bood de mogelijkheid om de relatie tussen het kaartmateriaal en de realiteit te leggen. Activiteiten als deze rondleiding passen in het kennis- en innovatiebudget van Ingenieursbureau Rotterdam. We willen de ondergrond en de waarde ervan voor de stad zichtbaar maken. Daar blijven we aan werken. We denken over een fietsroute waarin we ook de ondergronds app verwerken, en we bieden via het COB het lesmateriaal aan in lespakket dat nu wordt ontwikkeld.”

Potentiële energiebesparing van ondergronds bouwen

Nederland wordt steeds voller, hierdoor verschuift de stedenbouwkundige opgave steeds meer naar transformatie. Daarnaast is en blijft Nederland een waterland, waar de dreiging vanaf de zee en rivieren blijft toenemen. Dit water vormt ook juist een sterke ruimtelijke kwaliteit; wonen aan het water is zeer populair. Reden voor mij om te kiezen voor een afstudeerproject dat beide thema’s bevat. Stadshavens Rotterdam is een goed voorbeeld van een gebied waar een herstructureringsopgave samenvalt met een wateropgave.

Stadshavens Rotterdam, een gebied van zestienhonderd hectare, heeft een rijke havengeschiedenis, maar zal deze functie gaan verliezen nu de Tweede Maasvlakte er is. Stadshavens zal vrijkomen voor woningbouw. Mijn afstudeerproject gaat in op de transformatie van de Merwe-Vierhavens (M4H): honderd hectare aan de noordoever van de Maas, dicht bij het centrum van Schiedam, een ideale woonlocatie. Dit gebied is nu nog in gebruik bij vele havenbedrijven, die niet op korte termijn allemaal tegelijk zullen vertrekken. Er is daarom behoefte aan een nieuwe aanpak. Een organische ontwikkeling waarbij rekening gehouden wordt met de bestaande elementen in het gebied. Niet alleen met de zichtbare bovengrondse elementen, maar juist met de ondergrondse thema’s, zoals kabels en leidingen, bodemvervuiling, kademuren en funderingen. Onderwerpen die normaal gesproken voor kosten en oponthoud zorgen tijdens de realisatie van een project, worden nu als uitgangspunt genomen en dienen als basis voor het ontwerp.

Door de ondergrond als uitgangspunt te nemen, zijn er sterke limieten aan de ontwerpvrijheid toegekend. In plaats van het meest interessante of futuristische ontwerp te maken, is ervoor gekozen om te laten zien dat er, met deze limieten, nog steeds goed werkende ontwerpen mogelijk zijn. Een ontwerp dat aantoont dat het zo ook kan, een nieuwe duurzame oplossing voor herstructureringsgebieden.

De volgende onderzoeksvraag stond centraal: Hoe kan een industrieel havengebied getransformeerd worden naar een aantrekkelijk gebied voor gemengd gebruik (haven-stad), waarbij de behoeften van bedrijven en woningen alsmede de ondergrondse eigenschappen voorop staan? De deelvragen belichten drie thema’s: Hoe combineer je woningen met havenbedrijven? Hoe vind een transformatie plaats in de tijd? En hoe ga je om met de condities van de locatie (bodem en water)? Deze laatste deelvraag is geleidelijk aan steeds belangrijker voor mij geworden en heeft de loop het project bepaald.

Allereerst is er veel onderzoek gedaan naar de ondergrondse eigenschappen van de M4H, aan de hand van het SEES-schema (System Exploration Environment & Subsoil). Dit schema combineert de stedenbouwkundige lagen (People, Metabolism, Buildings, Public space en Infrastructure) met de ondergrondse lagen (Civil constructions, Energy, Water en Subsurface). Het schema helpt bij het inventariseren van obstakels en kansen, maar heeft mij vooral bewust gemaakt van wat er allemaal speelt in de ondergrond. Verschillende, voor de M4H belangrijke onderwerpen zijn onderzocht en in kaart gebracht: de ondergrondpotentiekaart. Of zoals hij tijdens mijn stage bij de gemeente Rotterdam genoemd werd: de verleidingskaart.

De potentiekaart bevat 2D-informatie over de ondergrond, maar laat ook de derde dimensie zien door de toevoeging van doorsneden. Deze derde dimensie is zeer belangrijk, aangezien bijvoorbeeld saneringstechnieken aangepast worden op de diepte van de vervuiling. Tevens zijn tools toegevoegd die laten zien wat een ontwerper met de informatie kan doen (wat er bijvoorbeeld mogelijk is met oude funderingen). De kaart is vooral bedoeld om ontwerpers te inspireren de ondergrond te gebruiken in het ontwerpproces, in plaats van het gebied te zien als een tabula rasa, en met een wit papier te beginnen.

Aan de hand van de verleidingskaart is er een stedenbouwkundige visie voor de gehele haven opgesteld, waarna ingezoomd is op twee deelgebieden. Hierop is een grondigere analyse toegepast, met een gedetailleerdere kaart als resultaat. Dit is de basis voor het tweede deel van het afstudeerproject: het ontwerp.

Funderingen en kabels en leidingen in de haven zijn de belangrijkste elementen geweest voor het ontwerp. De nieuwe gebouwen/woningen zijn geplaatst op de bestaande funderingen, deze hoeven dus niet weg gehaald te worden bij de sloop van havenbedrijven. Er is hierbij gezocht naar een woningtypologie die past bij de maatvoering van deze palen. De kabels en leidingen hebben op hun beurt gezorgd voor regels voor de openbare ruimte. Zo liggen de hoofdleidingen bijvoorbeeld in een parkomgeving, zodat er geen wegen opengebroken hoeven te worden bij onderhoud.

Het uiteindelijke ontwerp laat zien dat het mogelijk is te ontwerpen met de ondergrond als uitgangspunt. Het uitgangspunt stelt veel limieten, maar zorgt uiteindelijk voor kostenbesparing en een duurzamer resultaat. Deze manier van kijken naar een stedenbouwkundige opgave is nieuw, waardoor er nog weinig literatuur aanwezig is, onderzoek vrij lastig is en mensen kritisch zullen zijn. Maar ik geloof dat dit dé manier is om boven- en ondergrond met elkaar te laten samenwerken.

(Foto: Vincent Basler)

Effectieve samenwerking vereist wederzijds vertrouwen. Dat staat voor Ed Bouwkamp en Boudewijn Bartholomeeusen als een paal boven water. Ze zijn beiden intensief betrokken bij de herinrichting van de Neherkade in Den Haag. Bouwkamp als contractmanager namens de gemeente Den Haag en Bartholomeeusen als projectleider bij aannemerscombinatie Besix-Dura Vermeer. Een gesprek over open keukens, het benutten van elkaars expertise, haantjesgedrag en regeneratiebeton.

“De herinrichting Neherkade is het eerste grote project dat de gemeente Den Haag als design & construct heeft aanbesteed”, vertelt Ed Bouwkamp. “Een belangrijke randvoorwaarde voor dit project was dat de onderdoorgang onder de trambaan gebouwd moest worden gedurende een buitendienststelling van maximaal zeven weken, van half juli tot 1 september 2014. Eén van de redenen dat aannemerscombinatie Besix-Dura Vermeer de aanbesteding won, was hun innovatieve plan om de tunnel niet volledig ter plaatse te bouwen. Ze stelden voor om de tunnelmoot waarover de tram zou gaan rijden vooraf te bouwen en deze vervolgens naar zijn definitieve plek te rijden. Met deze aanpak was het risico dat de onderdoorgang niet binnen de beoogde zeven weken klaar zou zijn aanzienlijk kleiner. Bijkomend voordeel was dat de stremming van het autoverkeer niet zeven weken, maar slechts vier dagen zou duren.”

Eind 2013, een dag nadat bekend was geworden dat Besix-Dura Vermeer de aanbesteding had gewonnen, kreeg Bouwkamp te horen dat de gemeente hem als contractmanager wilde inhuren. Aangezien hij de aanbesteding niet had meegemaakt en het ingenieursbureau van de gemeente het project had voorbereid, begon hij redelijk blanco aan zijn klus.

“Al gauw ging ons gesprek over risico’s, en constateerden we dat we geen seconde hadden te verliezen.”

Boudewijn Bartholomeeusen van de aannemerscombinatie was op dat moment al goed thuis in de materie: “Ik was intensief betrokken bij de aanbesteding en had me ruim twee maanden in het project verdiept, onder andere om er zeker van te zijn dat het voorbouwen van de tunnelmoot een haalbare optie was. Tijdens onze eerste ontmoetingen kon ik Bouwkamp daardoor goed uitleggen hoe we het wilden gaan doen, terwijl hij hier met een frisse blik naar kon kijken. Al gauw ging ons gesprek over risico’s, en constateerden we dat we geen seconde hadden te verliezen. De planning was enorm strak en we waren beiden ervan overtuigd dat het project alleen kon slagen als we goed zouden samenwerken, snel op elkaar zouden reageren en voortdurend zouden proberen om tijdwinst te boeken, zodat we bij onverwachte tegenslagen wat speelruimte zouden hebben.”

Afspraken

Bouwkamp: “We merkten allebei vrij snel dat we elkaar konden vertrouwen en hebben toen gelijk afspraken gemaakt. Bijvoorbeeld dat we allebei ‘best for the project’ als uitgangspunt zouden nemen en dat we eventuele wrevel of twijfels altijd direct zouden uitspreken. Verder hebben we afgesproken hoe we zouden omgaan met onverwachte gebeurtenissen, meerwerk en meerkosten. Ook hebben we elkaar beloofd om problemen in een vroeg stadium met elkaar te delen.”

“De volgende stap voor mij was het opzetten van een team. Daarvoor heb ik alle afdelingen van de gemeente bezocht die bij het project betrokken waren. Tijdens deze bezoeken heb ik verteld hoe ik het wilde gaan aanpakken. Vervolgens heb ik de medewerkers die enthousiast reageerden uitgenodigd in mijn team te komen. Mijn eerste indruk was dat de meeste afdelingen positief waren over de nieuwe contractvorm, waarbij niet de opdrachtgever maar de opdrachtnemer verantwoordelijk is voor het ontwerp. Toch waren ze in eerste instantie ervan overtuigd dat de onderdelen die hun expertise raakten beter door mensen van de gemeente gedaan konden worden.”

Open keuken

“Vanzelfsprekend proefden wij die terughoudendheid ook”, stelt Bartholomeeusen. “Daarom hebben we vanaf het begin alles in het werk gesteld om vertrouwen te kweken en mogelijke ongerustheid bij de opdrachtgever weg te nemen. Laat me dat uitleggen aan de hand van een analogie. Stel dat je elkaar nauwelijks kent en samen verantwoordelijk bent voor een vijfgangendiner. Als jij je dan als kok terugtrekt in je keuken met de deuren dicht, zal de ander niet zomaar vertrouwen dat alles goed komt. Voor het vergroten van het vertrouwen kun je veel beter gaan koken in een open keuken. De ander kan dan meekijken, vragen stellen en eventuele zorgen uitspreken.”

“Als jij je dan als kok terugtrekt in je keuken met de deuren dicht, zal de ander niet zomaar vertrouwen dat alles goed komt.”

“Wij ontwerpen in een open keuken en benutten graag de kennis en ervaring van onze opdrachtgever. Voor mij is dat heel logisch. We zijn te gast in een gemeentelijke omgeving en kunnen – hoewel we veel technische kennis en ervaring in huis hebben – nooit tippen aan de gemeentelijke experts als het gaat om specifieke lokale kennis. Daarom betrekken we onze opdrachtgever bij ons ontwerpproces. Op die manier kan hij zien hoe wij werken. En doordat hij tijdens het proces meekijkt en weet welke ontwerpbeslissingen wij hebben genomen, zal hij deelontwerpen ook sneller kunnen beoordelen.”

“Ontwerpen in een open keuken betekent ook dat je onderdelen van je ontwerp waarover de opdrachtgever zich zorgen maakt, soms verder moet uitwerken dan je zelf nodig acht. Verder moet je openstaan voor suggesties en ideeën van de ander en zeker niet reageren met opmerkingen als ‘waar bemoei je je mee, dit weet ik toch veel beter’. Zulk haantjesgedrag bevordert de sfeer niet en schaadt de voortgang van het project. In de praktijk gaat het bij ontwerpen in een open keuken echt om een open werkcultuur. Als je een kostenopstelling indient en de opdrachtgever vraagt of je de kosten kunt verantwoorden, moet je als aannemer dus niet zeggen ‘hoezo?’, maar hem meenemen achter je pc en laten zien hoe het zit. Op die manier ontstaat vertrouwen en kun je problemen veel sneller oplossen. Natuurlijk blijven er discussiepunten, maar als je discussies voert op basis van redelijke argumenten en allebei streeft naar oplossingen, dan vind je die ook. Zeker als je samen afspreekt op welke datum je eruit wilt zijn.”

Spannend

“Samenwerking die is gebaseerd op vertrouwen maakt de uitvoering van een project aanmerkelijk eenvoudiger”, stelt Bouwkamp. “Als je iets afspreekt, weet je dat het goed komt. Zeker bij problemen die onder grote tijdsdruk staan is dat erg prettig. Een goed voorbeeld zijn de oude funderingspalen en damwandplanken die de aannemerscombinatie onverwacht tegenkwam bij het ontgraven van de sleuf voor de tunnelmoot. Dat was begin augustus, midden in de bouwvak, en die objecten moesten eruit om de tunnelmoot twee weken later naar zijn plek te kunnen rijden. Ik heb toen tegen Bartholomeeusen gezegd dat hij alles op alles moest zetten om de planning te halen en we het later wel over de meerkosten zouden hebben. Zo’n afspraak maak je als opdrachtgever alleen als je weet dat de opdrachtnemer integer handelt.”

“Zo’n afspraak maak je als opdrachtgever alleen als je weet dat de opdrachtnemer integer handelt.”

Bartholomeeusen vult aan: “Gelukkig kon een van onze onderaannemers snel aan de slag en de palen en damwandplanken verwijderen. Desondanks was het spannend of we de planning nog zouden halen. Nadat onze planner alles nog eens goed had doorgerekend en de planning op een aantal punten had aangepast, leek het erop dat het zou gaan lukken. De gewijzigde planning hebben we gezamenlijk besproken en vervolgens zijn we hard aan de slag gegaan. Maandagochtend 18 augustus moest het inrijden beginnen. Uiteindelijk waren we de avond ervoor klaar en konden we de nachtploeg naar huis sturen, die we voor de zekerheid al hadden opgetrommeld. Een kleine twee weken later reden de trams weer over de kruising.”

Regeneratiebeton

“Vertrouwen in elkaar biedt ook ruimte voor vernieuwingen”, aldus Bouwkamp. “In het aanbestedingscontract is een van de eisen om zo veel mogelijk uit te gaan van hergebruik van materialen. Voor het beton van de tunnel was echter niets aangegeven. Besix-Dura Vermeer kwam met het voorstel om een regeneratiebeton met een specifiek betonmengsel te gebruiken, dat waterdichter zou zijn. Hoewel dit beton pas een keer eerder in Nederland was toegepast, hebben we het voorstel niet afgewezen. In plaats daarvan hebben we hen gevraagd toe te lichten wat de voor- en nadelen waren. Nadat we die open hadden besproken, hadden we het idee dat het alternatieve beton goed zou uitpakken. Om de risico’s te minimaliseren, hebben we eerst nog samen eisen geformuleerd waaraan het beton minimaal zou moeten voldoen. Vervolgens is de tunnelmoot met dit beton gebouwd.”

Planningsmethodiek

Inmiddels is duidelijk dat het project binnen budget en op tijd zal worden afgerond. Volgens Bartholomeeusen is dat niet alleen het gevolg van het wederzijdse vertrouwen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Ook de toegepaste planningsmethodiek, het zogeheten lean plannen heeft hieraan bijgedragen.

“Bij lean plannen maak je elke keer samen met alle betrokkenen – denk aan ontwerpers, de mensen bij de opdrachtgever die de deelontwerpen beoordelen, werkvoorbereiders, uitvoerders en onderaannemers – voor iedere fase van het project een planning. Elke deelnemer krijgt een serie ‘post-its’ met een eigen kleur, die hij op een grote planwand plakt. Als iedereen dat heeft gedaan, heb je niet alleen een goed overzicht van alle activiteiten, maar zie je ook waar knelpunten zitten en welke activiteiten maatgevend zijn voor het halen van de einddatum. Door die knelpunten en activiteiten samen te bespreken, kun je de planning optimaliseren. Als je als ontwerper bijvoorbeeld ziet dat de opdrachtgever vier weken nodig heeft om je deelontwerp te beoordelen, kun je aan hem vragen wat je extra aan het document moet toevoegen om de beoordeling sneller te laten verlopen. Als je dit proces regelmatig herhaalt, kun je met slimme oplossingen de oplevering fors versnellen.”

Assen, Drents Museum

Op 16 november 2011 heeft Hare Majesteit Koningin Beatrix het vernieuwde Drents Museum geopend. Het museum in Assen onderging een metamorfose en kreeg er een ondergrondse vleugel bij.

 

Het jaar 2011 was een bijzonder jaar voor het Drents Museum. Het museum
was sinds augustus 2010 gesloten voor een grote verbouwing en de bouw van
een prachtige nieuwe museumvleugel, ontworpen door de gerenommeerde
architect Erick van Egeraat.

Nieuwe vleugel Drents Museum (Foto: J. Collingridge)

In het ontwerp zijn oud en nieuw op een verrassende wijze met elkaar verbonden. Een koetshuis uit de achttiende eeuw werd één meter boven het maaiveld opgetild en voorzien van een glazen plint, waardoor daglicht de nieuwe ondergrondse ruimte kan binnenstromen.

De museumvleugel wordt gebruikt als expositieruimte voor de grotere (inter)nationale tentoonstellingen. Op de nieuwbouw is een tuinlandschap aangelegd. Van Egeraat: “De verspringende, beplante dakvlakken van de nieuwe expositievleugel verbinden de bestaande tuinen en parken in de stad.”

Aanleg daktuin (Foto: Drents Museum)

Sterk staaltje

In de Onderbouwing van december 2010 (zie hiernaast) legde projectmanager en opdrachtgever Gerben Saalmink van de provincie Drenthe uit dat de nieuwbouw een grote technische uitdaging was. “Wat hier gebeurt, is een waar huzarenstukje. Deskundigen uit heel Nederland komen kijken.” Het oude koetshuis werd ingepakt, vierentwintig meter verplaatst en na het aanleggen van de kelderbak weer teruggezet.

Om het project tijdig af te ronden, is in de laatste fase met man en macht gewerkt door de aannemer en andere betrokkenen. Vorst, sneeuw en regen leverden zes weken vertraging op, maar die is in de loop van het bouwproces ingehaald door in weekenden en ’s nachts door te werken. Het hele project werd uiteindelijk binnen de begroting en planning gerealiseerd.

De standaard in de praktijk: nu en in de toekomst

Er wordt al veel gesproken over de nieuwe standaard voor de uitrusting van wegtunnels. Landelijk tunnelregisseur Hans Ruijter leverde de eerste versie af in de zomer van 2011. Sindsdien wordt de standaard bij drie tunnelprojecten in praktijk gebracht. Zo wil men hem toetsen en de ongeregeldheden eruit halen. Zodra de standaard is gestabiliseerd, wordt deze – met een werkwijzer – algemeen beschikbaar gesteld.

Momenteel ligt bij de Tweede Kamer een voorstel tot wijziging van de Tunnelwet. In het wetsvoorstel staat de veiligheidsnorm beschreven waaraan alle toekomstige tunnels moeten voldoen. Daarnaast is in de onderliggende regelgeving een standaarduitrusting voorgeschreven voor tunnels in het rijkswegennet: indien deze (correct) is toegepast, voldoet de tunnel aan de norm. De uitrusting is uitgewerkt in de standaard die landelijk tunnelregisseur Hans Ruijter en zijn team hebben ontwikkeld. Ze keken met name naar de bedienprocessen en tunneltechnische installaties (TTI).

“Het is echter niet zo dat nieuwe tunnels hierdoor veiliger worden,” stelt Ruijter, “in feite zijn Nederlandse tunnels al veilig genoeg. Maar de aanpak kan beter. De huidige wetgeving is niet eenduidig, waardoor er vaak discussies ontstaan. Dat kost tijd en meestal ook geld. Bovendien wordt nu bij ieder tunnelproject opnieuw naar de veiligheid gekeken. Daar is natuurlijk niets mis mee, maar je hoeft niet het wiel opnieuw uit te vinden. Ook al is de invulling anders, de afwegingen zijn meestal vergelijkbaar. Die zijn nu gestandaardiseerd.”

Puntjes op de i 

Versie 1.1 – twee dikke ordners met A4’tjes – is sinds juli 2011 gereed. Deze versie wordt nu toegepast bij drie projecten. De ervaringen uit de praktijk leveren soms aanscherpingen of verbeteringen op, op basis waarvan te zijner tijd versie 1.2 wordt opgeleverd.

Ruijter: “Bij Combiplan NijverdalA2 Maastricht en A4 Delft wordt de standaard geïmplementeerd, zodat we alle foutjes en inconsistenties eruit kunnen halen. Dit gaat onder begeleiding van een centraal implementatieteam.”

Het implementatieteam van de landelijk tunnelregisseur. Van links naar rechts ziet u: Martin Mees, Arie de Jong, Marije Bockholst, Ben Harbers, Diderick Oerlemans en Ronald Gram. Op de foto ontbreken Jos Haarsma en Bert van Rangelrooij. (Foto: Lieke Fortuin)
>> De leden van het team aan het woord

“Daarnaast hebben we bij de betreffende projectbureaus een technisch manager TTI aan het team toegevoegd. Zij kunnen hun bevindingen doorgeven aan de frontoffice van het implementatieteam. De backoffice beheert de standaard; hier wordt ervoor gezorgd dat alle wijzigingen die binnenkomen op een gestructureerde manier in de standaard worden verwerkt.” Het is niet zo dat de wijzigingen ook direct van kracht worden. “Het contract – of het contract dat we aan het voorbereiden zijn – is leidend. Over het algemeen is daarin sprake van versie 1.1. Als deze zomer versie 1.2 uitkomt, gaan we niet meteen contracten openbreken. We voeren wijzigingen alleen door bij een project als de aanpassingen voor dat project echt van belang zijn. Een impactanalyse moet dat uitwijzen.”

Hoewel de standaard op aanvraag beschikbaar is, is er expliciet voor gekozen het boekwerk niet openbaar beschikbaar te maken. De implementatie beperkt zich voorlopig tot deze drie projecten. “We willen dat de standaard zich stabiliseert. Het verzamelen van inconsistenties wordt een onbeheerst proces als je de standaard nu breed uitzet. Dat willen we voorkomen”, aldus Ruijter.

Strak waar het moet

“De standaard bevat in principe functionele specificaties,” vertelt Ruijter, “maar op sommige onderdelen gaan die wel vrij ver of schrijven we zelfs de uitvoering voor. Dat is volgens mij in ieders belang. Installaties vormen qua kosten slechts een klein onderdeel van een tunnelproject, maar als dat onderdeel niet goed zit, kost je dat veel meer geld. Het is dus in ieders belang om die zo strak mogelijk voor te schrijven. Bovendien zit het slimme van een aanbieding toch niet in dit onderdeel; daar haalt de aannemer zijn creativiteit en winst niet uit.”

Werkwijzer

Het implementatieteam ondersteunt de drie lopende praktijkprojecten bij het toepassen van de standaard; hoe gaat dat straks bij nieuwe projecten? Ruijter: “Enerzijds wijst zich dat vanzelf, want vrijwel alle partijen die in de toekomst met de standaard moeten werken, zijn betrokken geweest bij de totstandkoming ervan. Anderzijds maken we een werkwijzer, een kookboek als het ware, om uit te leggen hoe je de standaard in praktijk kunt brengen. Daarin geven we aan waar en hoe de standaard terugkomt in de fases van een tunnelproject. Wat moet je bijvoorbeeld geregeld hebben bij het ontwerp-tracébesluit? Hoe maak je de generieke specificaties van de standaard specifiek voor een project en in welke fase doe je dat? Dat staat allemaal in de werkwijzer.”

De werkwijzer besteedt ook aandacht aan de samenwerking tussen de mensen van de TTI en die van de civieltechnische kant. Volgens Ruijter blijkt daaruit dat het veld inziet dat deze samenwerking belangrijk is. “Men onderkent nu dat het echt twee verschillende takken van sport zijn, die elkaar beïnvloeden en ook last van elkaar kunnen hebben als de samenwerking niet goed is georganiseerd. Maar dat er expliciete aandacht voor samenwerking is in de werkwijzer, wil niet zeggen dat het probleem daarmee volledig is opgelost. Dat zal natuurlijk in de praktijk nog moeten blijken.”

De werkwijzer is in concept gereed en zal naar verwachting voor de zomer van dit jaar uitkomen. Bij de tunnelprojecten in het tracé Schiphol-Amsterdam-Almere wordt het boekje voor het eerst gebruikt.

Infographic over de handelingen bij een tunnelbrand. Klik op het beeld voor een grotere versie. (Beeld: RWS)

Stadstunnels 

Binnen het vakgebied speelt de vraag of de standaard de aanleg van stadstunnels niet in de weg zit. Dat is volgens Ruijter niet het geval. “We hebben ons bij de standaard puur gericht op rijkswegtunnels, want daar was de meeste urgentie. Maar ik denk dat de principes achter de standaard en de wijze waarop hij is opgebouwd, ook goed bruikbaar zijn voor gemeentelijke tunnels. Het is aan de gemeenten zelf om te bepalen in hoeverre ze er gebruik van willen maken.”

Ruijter wijst erop dat er niet altijd zo’n strikt onderscheid is tussen rijkstunnels en stadstunnels. Als voorbeeld noemt hij de tunnel in de A2 bij Maastricht: “Dat is een stadstunnel, maar wel in een rijksweg. Bovendien is het een dubbeldekstunnel; veel unieker kun je het niet krijgen. Als de standaard zelfs daarop van toepassing is, moet je ook bij gemeentelijke tunnels een heel eind kunnen komen.”

Ruijter zou willen voorkomen dat er straks twee standaarden zijn. “Voordat je gaat standaardiseren, moet er wel de wens zijn óm te standaardiseren”, stelt Ruijter. “Mijn advies naar gemeenten is om na te gaan in hoeverre ze daartoe bereid zijn. Je offert er wel het een en ander voor op, bijvoorbeeld de keuzevrijheid om voor iedere tunnel maatwerk te maken. Ik denk dat het dat wel waard is; dat de winst groter is, maar dat moeten gemeenten voor zichzelf bepalen.”

Serious game Terra Tactica

Samenwerken gaat niet vanzelf. Inzicht in elkaars belangen kan leiden tot betere afstemming en het voorkomen van onvoorziene risico’s en beheerkosten. Sweco presenteerde tijdens het COB-congres de serious game Terra Tactica, die opdrachtgevers, ontwikkelaars, bodemenergiebeheerders, netwerkbeheerders, infrabeheerders en grondwaterwinners helpt om tegengestelde belangen te verenigen, of door geven en nemen tot betere afstemming te komen.

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld uit Eindhoven (Stationsplein Zuid), waar met behulp van Terra Tactica ondergrondse afstemmingsproblemen werden blootgelegd en opgelost, konden congresbezoekers aan den lijve ervaren hoe het spel werkt. Terra Tactica is een verdere uitwerking van het in 2013 gepresenteerde OndergrondStratego. In het kort komt het erop neer dat gemeentes en provincies er met behulp van Terra Tactica voor zorgen dat alle partijen die in de ondergrond iets willen, dezelfde kennis hebben en samenwerken.

Terra Tactica oogt als een bordspel, waarbij de plattegrond van het onderhavige project het speelveld is. Deelnemers kunnen met behulp van gekleurde blokjes aangeven wat hun wensen zijn en beargumenteren waarom dat een voor hen wenselijke oplossing is. In die eerste inventarisatieronde wordt duidelijk wat de effecten zijn van gewenste ingrepen en waar de wens van de een de oplossing van de ander in de weg zit. Er ontstaat inzicht in onder- en bovengrondse ruimtetekorten en hoe ingrepen in de ondergrond elkaar beïnvloeden. In de tweede ronde worden de rollen omgedraaid. Elke partij wordt gevraagd welke mogelijkheden zij ziet om de problemen van een ander op te lossen en ontwikkelingen in de ondergrond op een veilige, kostenefficiënte en duurzame manier mogelijk te maken.

Terra Tactica tijdens het COB-congres op 3 november 2017. (Foto: Sweco)

Omgevingswet
De gekozen aanpak is actueel met het oog op de nieuwe Omgevingswet (2021), waarmee onder andere een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming (sneller, beter) en regelgeving wordt beoogd. De interactieve Terra Tactica-sessies starten dan ook met een uitleg over de gevolgen van de nieuwe Omgevingswet voor ontwikkelingen in de bodem.

Tijdens de sessie op het COB-congres (een ingekorte versie van een gangbare sessie) bleek al snel dat het opkomen voor het eigenbelang binnen een projectoverleg niemand vreemd is. De deelnemers trokken stevig van leer en gunden elkaar in eerste aanleg weinig ruimte. Pas bij de rollenwisseling werd het belang van de ander meegewogen en ontstond een sfeer van geven en nemen en het gevoel dat het succesvol afronden van een project een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. De gunfactor leidt tot een gedragen oplossing voor iedereen. De begeleiders van Sweco gaven overigens aan dat het benodigde wederzijdse begrip in de praktijk meestal niet al tijdens de eerste sessie ontstaat, maar dat de meerwaarde van de speelse aanpak uiteindelijk wel degelijk door alle betrokkenen wordt erkend. In de praktijk wordt Terra Tactica niet alleen ingezet in de voorbereidende fase van een project, maar ook als last-minute risicoanalyse aan de vooravond van de uitvoeringsfase.

Dit was de Onderbreking Verbinden

Bekijk een ander koffietafelboek: