Loading...

De Onderbreking

Verbinden

Verbinden

Slimmigheden in de sluiskiltunnel

Assen, Drents Museum

Visie van: Mascha van Vuuren

Zwemmen in een schuilkelder

Kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling

Maastunnel: veilig, functioneel monument

Harderwijk, Parkeergarage Houtwal

Visie voor verandering

In focus: ruimte voor duurzaamheid

Kennisbank

Verbinden

Uit de trends blijkt dat de complexiteit van ondergrondse opgaven alleen maar groeit. Complexiteit vraagt niet alleen om een integrale aanpak en een integraal ontwerp. Adaptief ontwikkelen en ontwerpen zal het uitgangpunt worden, naast het innovatief combineren van vakgebieden. Voor het COB betekent dit dat projecten gericht op het leren samenwerken en het ontwikkelen van ‘zachte vaardigheden’ nog belangrijker worden. Hierbij gaat het vaak om het combineren van sociale intelligentie en technische intelligentie. Zelfs vakgebieden die dicht naast elkaar werken, zoals de mensen van de ondergrond en de ruimtelijke ontwikkelaars, vinden en begrijpen elkaar niet zomaar, en vaak al helemaal niet in een vroeg stadium van gebiedsontwikkeling.

Daarnaast is er de zoektocht naar effectieve manieren om bestaande kennis vast te houden, nieuwe kennis te ontwikkelen en beide bij betrokkenen te laten doorwerken. Ook hier is verbinden het toverwoord: kennis moet ‘stromen’ om ervan te leren en als sector vooruitgang te boeken. Daarbij moet ook naar het buitenland worden gekeken; kennisontwikkeling stopt niet bij de landsgrenzen. Internationaal ervaringen uitwisselen en samenwerken draagt in alle landen bij aan een hoger kennisniveau. Het COB ziet zichzelf als dé partij om deze opgave voor het vakgebied ondergronds bouwen op te pakken en samen met het netwerk uit te werken.

Er ontstaan ook ‘verbindingsopgaven’ door de toenemende invloed van ICT. Niet alleen binnen tunnelveiligheid, maar ook op het gebied van kabels en leidingen moeten verschillende vakgebieden vaker met elkaar samenwerken. Alles heeft intelligentie, alles heeft sensoren; de rol van experts verandert. Gaat open source technologie zijn intrede doen in de sector? Er komt monitoringdata uit diepwanden, kabels en leidingen, tunnelboormachines, gebouwen en de ruimte: wie maakt van data kennis, waar leggen we ervaringen vast? Wat zou er gebeuren als we meer data gaan delen? Zowel op de TU Eindhoven als bij de UvA zijn hoogleraren Big data aangesteld. Welke kansen zien zij voor de wereld van het ondergronds bouwen? Het COB heeft de ambitie om het netwerk uit te breiden met participanten die niet rechtstreeks betrokken zijn bij ondergronds bouwen, maar er wel mee te maken hebben, zoals energiebedrijven. Op die manier kunnen de opgaven effectiever opgepakt worden.

Het verbinden van vakgebieden is een methode om een verbeterslag te maken. Er is veel interessante kennis binnen hele andere vakgebieden: kennis uit de medische wereld kan ons helpen omgaan met de complexiteit van kabels en leidingen, de landbouw is sterk in het snel doorvoeren van innovaties, chemische installaties leren ons hoe je risicomanagement professionaliseert. We denken dat het COB als belangrijke taak heeft om deze kennis en ervaringen te presenteren en ons netwerk te prikkelen er gebruik van te maken. We zijn ervan overtuigd dat ook hier de 80/20-regel geldt: tachtig procent van de kennis is er al (in andere vakgebieden) en wij moeten ons concentreren op de twintig procent unieke kennis die de wereld van het ondergronds bouwen nodig heeft.

Integrale aanpak leidt tot slimme oplossingen

Het westelijk tunnelgebouw van de Sluiskiltunnel staat niet zoals gebruikelijk op de breedte van de hele tunnel, maar alleen op de noordbuis. Die ingreep bespaart vier tot vijf maanden in het bouwproces. De excentrische plaatsing maakte het mogelijk dat eerder kan worden gestart met de tunneltechnische installaties. Het is een van de zichtbare effecten van de samenwerking tussen Koninklijke BAM Groep NV en TBI Holding NV.

Ontwerpmanager Chris Hakkaart bracht een groot aantal integrale oplossingen binnen het project in kaart. “We hebben het dan niet over uitvindingen of innovaties, maar over slim combineren”, aldus Hakkaart. “Het zijn oplossingen die voortkomen uit de wens om knelpunten in tijd en in de samenwerking tussen verschillende disciplines te ondervangen.”

Geen harmonica

“In een samenwerking tussen verschillende disciplines heb je ieder je eigen verantwoordelijkheid én een grijs gebied, waar dat niet altijd meteen duidelijk is. Dat vergt afstemming en de wil om jezelf steeds de vraag te stellen of de ander ook door kan met zijn werk. Zeker in een project als de Sluiskiltunnel is de planning geen harmonica die je naar believen verder in elkaar kunt drukken. Je moet afstemmen en met slimme oplossingen komen die het mogelijk maken dat meer werkzaamheden gelijktijdig kunnen plaatsvinden.

Ondanks dat er altijd de druk is om snel te handelen, moet je voor dit soort oplossingen af en toe even afstand kunnen nemen. Je hebt tijd voor reflectie nodig. Achterover leunen, ijsberen en jezelf de vraag stellen: ‘Kunnen we dit ook anders oplossen?’ Ruimte houden voor die reflectie vergt overigens wel volharding. Je moet blijven motiveren en overtuigen. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen, maar het is wel nodig als je partieel wilt ontwerpen.”

Het proces van partieel ontwerpen vergelijkt Hakkaart met het pellen van een ui. “Je pakt schil voor schil op en als je het over een schil eens bent, kun je door. Voor die aanpak heb je niet alleen je eigen organisatie, maar ook de opdrachtgever nodig. Dat is bij de Sluiskiltunnel gelukt, al was het in het begin soms moeilijk. Maar allengs groeit het vertrouwen en is er meer begrip voor elkaars discipline.”

Alles tegelijk

De slimme, tijd- en geldbesparende oplossingen zijn het rechtstreeks gevolg van de samenwerking tussen civiel en installatietechniek. Chris Hakkaart: “We hebben gewerkt vanuit één gecombineerd 3D-model waarin momenteel civiel, elektrotechniek en werktuigbouw zijn gecombineerd. We hebben alle disciplines in één gebouw bij elkaar gezet en meteen vanaf de start van het tunnelontwerp laten beginnen. Door partieel te ontwerpen kon de uitvoering vroegtijdig starten.”

De tunnelboormachine voor de Sluiskiltunnel is speciaal gebouwd voor het project. Het snijrad heeft een doorsnede van elf meter en is aangepast aan de Zeeuws-Vlaamse bodem. Per dag wordt zo’n tien meter tunnel aangelegd. (Foto: Harry Bijl)

Net als het draaien van het tunnelgebouw, dateert deze keuze al uit de tenderfase. Daar moesten beschikbare tijd, mankracht en kosten immers in balans worden gebracht. Verschillende slimme oplossingen hebben daaraan bijgedragen, zoals het meteen integreren van tegenlichtschermen in het ontwerp voor de toeritten, het intekenen van een apart, manshoog kanaal voor kabels en leidingen onder het wegdek van de tunnel en het integreren van de brandwerendheidseisen in het beton van de segmenten van de boortunnel, waarmee een tijdrovende afwerking met een brandwerende coating achteraf werd voorkomen.

Maar ook ‘onderweg’ bleken er nog tal van optimalisaties mogelijk. Omdat er geen tijd was om het beton van het dichtblok voor de tunnelboormachine lang genoeg te laten uitharden, werd het verhardingsproces gemonitord, waardoor tot snellere vrijgave besloten kon worden. Juist bij dit soort oplossingen heeft Chris Hakkaart het over ‘durven en doen’. “Er is niet altijd tijd om oplossingen tot de laatste snik uit te schrijven en aan te tonen. Je moet ook durven vertrouwen op ervaring. Je probeert iets nieuws met het vertrouwen dat het goed komt.”

Soms is het iets makkelijker. Bij de kruising van een aantal hoogspanningskabels moest een oplossing gevonden worden voor het mogelijkerwijs te veel opwarmen van die kabels als gevolg van het aan te brengen zanddek. Luchthappers in combinatie met gestapelde kratten, die normaal gesproken worden gebruikt voor wateropslag onder parkeerplaatsen, vormen een ondergronds ventilatiekanaal, waarmee wordt voorkomen dat de hoogspanningskabels te warm worden. Het gaat om een bestaand product waarvan de constructieve capaciteit al eerder is aangetoond.

“Dan is het nog een kwestie van het vergaren van alle informatie en afstemming met betrokken partijen”, vertelt Chris Hakkaart. “Aanvankelijk werd een betonnen overkluizing als oplossing aangedragen. Maar die zou je moeten funderen en dat is kostbaar. Dan komt het erop aan dat je doorvraagt. Toen bleek dat het om een ventilatieprobleem ging, kwamen de alternatieven. Met de krattenoplossing als resultaat.”

Niet altijd zichtbaar

Achteraf zijn slimme oplossingen vaak niet meer zichtbaar. Wie weet na de oplevering nog wat de reden was achter de locatie van het tunnelgebouw? Laat staan dat iemand zich afvraagt waarom er een ventilatiekanaal onder de weg doorloopt. Toch zijn het de slimme oplossingen die meehelpen een project binnen planning te realiseren. Nog een aantal voorbeelden (zie ook de Prezi hiernaast):

  • Boorterpen
    Om tot de kortste projectlengte met de langste boorlengte te komen, werden boorterpen aangelegd voor de start- en ontvangstschachten van de tunnelboormachine.
  • Omhulling gewipalen
    Potentiële vertraging bij het aanbrengen van gewipalen, als gevolg van de enorme kleefkracht van de Boomse klei terplaatse, werd opgelost door de palen met een losse kunststof buis te omhullen.
  • Brandwerendheid
    In de tunnelsegmenten zijn polypropyleenvezels verwerkt die een dure en tijdrovende later aan te brengen extra brandwerende laag overbodig maakte.
  • Tegenlichtschermen
    De tegenlichtschermen bij de toeritten van de tunnel zijn uit architectonische overwegingen meteen in de constructie van de toeritten opgenomen.

Assen, Drents Museum

Het Drents museum staat in het historische centrum van Assen op de plek van het voormalig klooster Maria in Campis. Toen het museum moest worden uitgebreid was duidelijk dat er binnen het oude kloostercomplex geen ruimte was. Architect Erick van Egeraat vond de oplossing in de ondergrond: hij ontwierp een nieuwe ondergrondse vleugel voor het museum net buiten het kloostercomplex.

Op 16 november 2011 heeft toenmalige Hare Majesteit Koningin Beatrix het vernieuwde Drents Museum geopend. De nieuwe ondergrondse uitbreiding heeft een oppervlak van in totaal tweeduizend vierkante meter. Daarvan komt de helft voor rekening van de nieuwe expositievleugel. Naast deze vleugel heeft het museum ook een nieuwe entree, een café en een grotere museumwinkel gekregen.

Nieuwe vleugel Drents Museum. (Foto: J. Collingridge)

Bouwkuip

Voor de bouw van de ondergrondse uitbreiding moest een grote bouwkuip worden gemaakt, bestaande uit twee rechthoekige delen die schuin achter elkaar liggen en via een relatief smalle sleuf met elkaar zijn verbonden. Door gebruik te maken van een waterdichte laag potklei op een diepte van achttien meter, was bronbemaling in de kuip niet nodig.

Vanwege het risico op schade aan de nabij gelegen monumentale bebouwing zijn voor de realisatie van de wanden van de bouwkuip drie verschillende technieken gebruikt. Voor het deel van de kuip dat het verst van de monumentale gebouwen af ligt zijn damwandplanken ingetrild, nadat de grond was losgeboord. Dichterbij, waar de kuip tussen de gebouwen ligt, zijn soilmix-wanden gemaakt. Bij deze trillingsvrije techniek is de lokale ondergrond met een frees tot in de laag potklei losgewoeld en vermengd met een cementmix, waardoor een stevige grond- en grondwaterkerende constructie is ontstaan.

De derde techniek, jetgrouten, is gebruikt voor het gedeelte van de bouwkuip dat onder het bestaande monumentale hoofdgebouw ligt. Ook dit is een trillingsvrije techniek. Via gaten in de vloer is met injectielansen een groutspecie onder hoge druk in de grond onder het gebouw geïnjecteerd. De groutkolommen die op deze manier zijn gevormd, hebben een diameter van circa 1,5 meter en een lengte van 13 meter. Om de stabiliteit van de verschillende delen van de bouwkuip te garanderen, zijn tijdelijk stempels geplaatst.

Koetshuis

Op de plek waar de bouwkuip moest komen stond een monumentaal koetshuis. Om de kuip te kunnen maken, is dit koetshuis opgevijzeld, voorzien van een stalen draagframe en vervolgens over een afstand van circa 25 meter verplaatst en daar tijdelijk ‘geparkeerd’. Nadat de ondergrondse bouw gereed was, is het koetshuis weer naar zijn oorspronkelijk plek geschoven. Daar is het een meter opgetild en op een glazen plint is geplaatst.

Het koetshuis – dat tussen het hoofdgebouw van het museum en de nieuwe vleugel in staat – is de entree voor het vernieuwde museum. Via een fraai vormgegeven trap dalen de bezoekers hier af naar de ondergrondse centrale hal, die volledig onder het maaiveld ligt. De glazen plint zorgt ervoor dat in deze hal daglicht naar binnenvalt. Vanuit de hal kunnen bezoekers twee kanten op, naar de nieuwe ondergrondse vleugel of naar de trap en lift die toegang bieden tot de exposities in het hoofdgebouw. De gehele ondergrondse ruimte is in wit uitgevoerd en valt op door vloeiende vormen en statige kolommen.

Het dak van de nieuwe ondergrondse expositievleugel steekt iets boven het maaiveld uit. Het is opgebouwd uit vier verspringende dakvlakken die ruimte bieden aan verticale lichtstroken. Via deze lichtstroken valt er indirect daglicht in de expositieruimte. Voor de dakconstructie zijn stalen liggers gebruikt. Op het dak is een openbare tuin aangelegd.

Aanleg daktuin (Foto: Drents Museum)

Visie van: Mascha van Vuuren

Innovatie leidt tot duurzaamheid en andersom

“In de jaren negentig was ik zelf werkzaam bij het COB als programmacoördinator. Ook toen was het doel kennis te ontwikkelen voor de Nederland BV op het gebied van ondergronds bouwen, en ook toen werkte de overheid samen met het bedrijfsleven en de kennisinstellingen. Ik was onder andere betrokken bij de oprichting van de leerstoel aan de TU Delft, de Tweede Heinenoordtunnel als eerste geboorde tunnel en programma’s als het monetariseren van ondergronds ruimtegebruik, de 3D-grondradar en de beleving van ondergrondse ruimten. Het bruiste toen al van de kennisuitwisseling.

Nu, ruim vijftien jaar later, doet het mij deugt om te zien dat het nog steeds bruist bij het COB. Verrast door vele nieuwe gezichten en door vele bekende en vertrouwde gezichten, jong en oud, man en vrouw. Het COB heeft nog altijd een inspirerend programma met evenveel aandacht voor de sfeer als voor de inhoud. Maar nu, met veel minder subsidie en budget. Partijen moeten nu zelf slimme manieren bedenken om samen kennis te ontwikkelen en te delen. En nog steeds rondom spannende thema’s die, in mijn ogen, de toekomst van de bouw gaan domineren. Naast techniek en innovatie, die al redelijk goed in onze genen zitten, gaat het ook om grote thema’s als ketensamenwerking en duurzaamheid. Ik heb bewust de overstap gemaakt naar een innovatief technisch dienstverlener met een energiereus als moeder, omdat ik geloof dat duurzaamheid de komende twintig jaar de boventoon gaat voeren in de opgave die wij als land hebben.

De sector heeft de afgelopen jaren een enorme stap gezet in geïntegreerde contracten en samenwerking. Partijen hebben elkaar kunnen vinden. Mijn visie is ons de komende tijd vanuit deze samenwerking te concentreren op innovatie en duurzaamheid om daarmee een substantiële bijdrage te kunnen leveren aan onze People, Planet en Profit. We moeten anders gaan denken en nieuwe businessmodellen introduceren. Alleen dan gaan we samen vliegen en kan het COB met haar achterban het verschil gaan maken. Daarom zijn wij als Cofely Energy & Infra participant geworden van het COB; omdat het COB een vernieuwend netwerk is waar inhoud de boventoon voert.”

Mascha van Vuuren-Sanders is algemeen directeur van Cofely Energy & Infra. Cofely, een volledige dochter van GDF Suez Energy Services, richt zich op het bijdragen aan een betere wereld met duurzame technologie.
(Foto: Vincent Basler)

Zwemmen in een schuilkelder

De Finse hoofdstad Helsinki beschikt sinds 2010 over een integraal ondergronds masterplan. Het plan brengt de bestaande ondergrondse toepassingen in kaart en voorziet in reserveringen voor toekomstig gebruik. Volgens Ilkka Vähäaho, hoofd van de geotechnische divisie van Helsinki en voorzitter van de Finse tunnelassociatie, is het plan een onmisbaar hulpmiddel voor duurzame ontwikkeling van de stad en zijn ondergrond.

Vähäaho: “Het masterplan voor de ondergrond is bijvoorbeeld het fundament voor de bijdrage van de ondergrond aan een duurzaam en esthetisch acceptabel landschap en behoud van ontwikkelmogelijkheden voor toekomstige generaties. Zo speelt het masterplan een belangrijke rol in de ruimtelijke ordening.”

Het ondergrondse masterplan voor Helsinki brengt zowel de bestaande als toekomstige ondergrondse ruimten, tunnels en vitale ondergrondse onderlinge verbindingen in kaart. In het plan zijn reserveringen opgenomen voor nu nog onbekende toekomstige ondergrondse toepassingen. Op basis van uitgebreid geologisch onderzoek is bepaald welke plekken in de ondergrond geschikt zijn. Daarbij is vooral gekeken welke nog niet benutte ondergrondse capaciteit in de toekomst een bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op het stadscentrum. Anders dan in Nederland, waar de meeste ondergrondse bouwwerken ‘stand-alone’ zijn, ontwikkelt de ondergrond van Helsinki zich door het verbinden van bestaande en nieuwe ondergrondse toepassingen steeds meer tot een aaneengesloten ondergrondse stad.

De integrale aanpak biedt extra voordelen boven op die van het sec ondergronds gaan. Er is sprake van multifunctioneel ondergronds ruimtegebruik, zoals bij het ondergrondse zwembad in Itäkeskus, dat in tijden van nood kan worden omgevormd tot schuilkelder. Een datacenter onder een kathedraal wordt via een ondergronds buizenstelsel gekoeld met zeewater. De restwarmte gaat – ook weer ondergronds – naar de stadsverwarming.

Er zijn grote voordelen verbonden aan multifunctionele leidingentunnels. Ilkka Vähäaho geeft aan dat het masterplan ook een bijdrage levert aan een betrouwbare energievoorziening en optimalisatie van energie-opwekking. Kosten kunnen worden gedeeld door meerdere gebruikers. Bovengronds ontstaat ruimte voor nieuwe initiatieven, en het uiterlijk en imago van de stad worden verbeterd. Onderhoud is eenvoudiger en goedkoper en de impact van werkzaamheden aan ondergrondse leidingen op het dagelijks leven bovengronds is beperkt. Bovengronds komt ruimte vrij voor andere doeleinden.

Lange historie

Helsinki heeft een lange historie van ondergronds bouwen. De stad kent nu al meer dan vierhonderd ondergrondse bouwwerken, zestig kilometer tunnels voor technisch onderhoud en tweehonderd kilometer multifunctionele leidingentunnels voor verwarming, koeling, elektriciteit en water. De watervoorziening van de stad is gegarandeerd door middel van een honderd kilometer lange ondergrondse tunnel die in de periode 1972-1982 werd gerealiseerd tussen Lake Päijanne en Helsinki.

Naast voor de hand liggende toepassingen als tunnels, parkeergarages en multifunctionele leidingentunnels voor onder andere stadsverwarming kent Helsinki ook tal van andere toepassingen, zoals muziekcentrum en een zwembad. Ook het bedrijfsleven gaat ondergronds, onder andere met opslag of het eerder genoemde ondergrondse datacenter.

In het masterplan is rekening gehouden met tweehonderd reserveringen voor ondergronds gebruik en nog eens veertig reserveringen zonder vooraf bepaalde bestemming. De gemiddelde oppervlakte van die reservering is dertig hectare, optellend tot een totaal van veertien honderd hectare, ofwel 6,4% van de oppervlakte van Helsinki. In 2011 werd berekend dat er voor elke honderd vierkante meter bovengrondse ruimte een vierkante meter ondergrondse ruimte werd benut. De huidige reserveringen vertegenwoordigen dus nog een enorm ondergronds potentieel.

Bovengrondse kwaliteit

Uitgangspunt is dat wat niet bovengronds hoeft, net zo goed ondergronds kan. Burgemeester Jussi Pajunen daarover in een documentaire van CNN: “Functies die niet gezien hoeven te worden, stoppen we onder de grond. Het is relatief goedkoop, dus waarom zou je er geen gebruik van maken.” De kwaliteit van de bovengrondse ruimte blijkt in veel gevallen de belangrijkste drijfveer. Ilkka Vähäaho: “Niet-Finse deskundigen beweren wel dat de gunstige eigenschappen van het bedrockgesteente en de zeer strenge winterklimatologische omstandigheden de belangrijkste drijfveren voor deze ontwikkeling zijn geweest. Maar er zijn belangrijker argumenten. Finnen hebben een sterke behoefte aan open ruimten, zelfs in de stadscentra, en Helsinki is klein. Het is qua inwoners de grootste stad van Finland, maar behoort qua oppervlakte tot de kleinste.”

Zero-land-use-thinking

Helsinki kent al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een toewijzingsbeleid voor ondergronds ruimtegebruik. Begin deze eeuw ontstond het idee voor een integraal ondergronds masterplan. De eerste voorbereidingen startten in 2004. De gemeenteraad van Helsinki keurde het masterplan in december 2010 goed. Ilkka Vähäaho noemt het een voorbeeld van ‘zero-land-use-thinking’. Met andere woorden, het uitgangspunt dat nieuwe functies in de stad niet tot extra bovengronds ruimtebeslag mogen leiden.

Hij illustreert dat met een doorsnede van het Katri Vala Park (zie figuur hiernaast). Daar werden sinds de jaren vijftig ondergronds achtereenvolgens opslagruimten, een multifunctionele leidingentunnel, een tunnel voor gezuiverd afvalwater en een warmtepompstation gerealiseerd. In het masterplan is onder dezelfde locatie ook nog ruimte gereserveerd voor toekomstig ondergronds gebruik. Het park is in al die tijd onaangetast gebleven.

 

 

Geotechniek voor Ondergrondse Ruimteontwikkeling

Voor het in kaart brengen van geschikte locaties voor toekomstig ondergronds gebruik heeft de geotechnische dienst van Ilkka Vähäaho uitgebreid onderzoek gedaan. Er is onderzoek gedaan naar locaties waar de mogelijk grote aaneengesloten ruimten kunnen worden gerealiseerd. Daarvoor werd een model ontwikkeld op basis van een standaardruimte van 12x50x150 meter (hxbxl). Met behulp van (hoogte)kaarten en boringen zijn de reeds benutte ondergrond en zwakke zones in kaart gebracht.

Het bedrockgesteente ligt in Helsinki niet ver onder het maaiveld. Dat betekent dat er veel goede, veilige locaties zijn voor aanleg van ondergrondse bouwwerken en installaties. Het onderzoek maakte zichtbaar dat er buiten het centrum vijfenvijftig locaties zijn waar in de buurt van verkeersknooppunten redelijk grootschalige ondergrondse voorzieningen gerealiseerd kunnen worden. Deze plekken zijn gemarkeerd als mogelijke toekomstige toegangen tot ondergrondse bouwwerken en infrastructuur.

Ambities
In Finland wordt ook buiten de hoofdstad gekeken naar de mogelijkheden die de ondergrond biedt. Ilkka Vähäaho noemt de steden Tampere, de derde stad van het land, en Oulu als voorbeelden. En er wordt serieus gekeken naar de haalbaarheid van een tachtig kilometer lange onderzeese tunnel tussen Helsinki en de Estse hoofdstad Tallinn, die dan samen zouden moeten uitgroeien tot de tweelingstad ‘Talsinki’, met de potentie om te gaan concurreren met steden als Stockholm en Kopenhagen.

Onderzoek naar kosten toont vooral complexe wereld

Gebiedsontwikkeling kan slimmer. Voorzieningen als mantelbuizen en kabels-en-leidingentunnels kunnen voorkomen dat de straat geregeld open moet, maar toch worden ze niet en masse aangelegd. Een belangrijke oorzaak lijkt een gebrek aan inzicht en balans tussen betalen en genieten: degene die moet investeren, krijgt er te weinig voor terug. Een COB/SKB-consortium probeerde de kosten en dekking van kosten inzichtelijk te krijgen.

Eind april 2013 werd de ontwerp-Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere- Markermeer aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin staat: ‘Het Rijk kiest in deze structuurvisie voor een organische ontwikkeling met een gefaseerde aanpak. Dit betekent dat er geen vaststaand eindbeeld of vaste einddatum voor de ontwikkeling wordt vastgelegd, maar dat op adaptieve wijze, stap na stap, naar het toekomstperspectief wordt toegewerkt. De marktvraag naar woningen en bedrijfslocaties is sturend.’ De vraag hoe zal worden omgegaan met de ondergrond, bijvoorbeeld voor het aanleggen van kabels en leidingen, komt niet ter sprake. Terwijl nutsvoorzieningen toch cruciaal zijn om te kunnen wonen, werken en recreëren.

“Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Bij het (her)inrichten van een gebied is het vaker de vraag of er een optimaal resultaat wordt behaald; misschien is er voor alle betrokken partijen meer winst te behalen als we slimmer zouden omgaan met de kosten. Niet alleen wat betreft financiële opbrengst, maar ook aan winst in comfort”, aldus Richard van Ravesteijn, coördinator Kabels en leidingen bij het COB. In 2010 is daarom een consortium van COB-partijen met deze probleemstelling aan de slag gegaan. Het doel was om inzicht te verschaffen in de kosten die gemoeid zijn met investeringen in energie- en nutsinfrastructuur in relatie met gebieds- en gebouwontwikkeling, inclusief een voldoende inzicht in de dekking van de kosten. Van Ravesteijn: “Dit inzicht is noodzakelijk om maatschappelijke optimalisatie bij gebiedsontwikkeling mogelijk te maken.”

Onbekend maakt onbemind

Uit het onderzoek blijkt dat er grofweg drie partijen betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling: de gebiedsontwikkelaar (vaak de gemeente), de netbeheerder en de vastgoedontwikkelaar. In praktijk hebben deze partijen echter verschillende belangen en eigen verdien- en exploitatiemodellen, wat het lastig maakt om gezamenlijke oplossingen en investeringen te realiseren.

Grondexploitatie (GREX), bouwexploitatie (BEX) en vastgoedexploitatie (VEX) komen samen bij gebiedsontikkeling. (Beeld: rapportage ‘Verdienstelijke netwerken’)

Voor het verwezenlijken van initiatieven als bundeling van kabels en leidingen moet de gemeente nu vaak het voortouw nemen, zowel in organisatie als financiering. De complexe situatie heeft ook tot gevolg dat het moeilijk is om inzicht te krijgen in de kosten en dekking van kosten. Om deze reden is er in het onderzoek uiteindelijk alleen naar de kwalitatieve kant van het vraagstuk gekeken.

Er zijn vijf projecten onderzocht waarbij de exploitatie van ondergrondse infrastructuur voor uitdagingen zorgde. “De centrale vraag lijkt te zijn: is bundeling goedkoper of duurder in dichtbebouwd gebied?”, vertelt Van Ravesteijn. “De nabijheid van consumenten kan een voordeel zijn voor conventionele aanleg van kabels en leidingen; mogelijk dat netbeheerders daarom terughoudend zijn met het investeren in hoogwaardige oplossingen. Het is de vraag of netbeheerders zich bewust zijn van de kosten van graven in de grond, eventuele graafschade en de extra kosten die daarmee gepaard gaan.”

Gemeenten en ingenieurs beoordelen bundeling in dichtbebouwde gebieden juist als gunstiger dan conventionele aanleg. Dit met name vanwege de grote hoeveelheid kabels en leidingen en de ordening die met bundeling in de ondergrond tot stand wordt gebracht. Een betere documentatie van gebiedsspecifieke informatie door de netbeheerder kan leiden tot een verhoogd bewustzijn van de kosten, waardoor het draagvlak voor hoogwaardige oplossingen voor kabels en leidingen (zoals bundeling) zal toenemen.

Oplossingen

Bij de onderzochte praktijkprojecten werd op verschillende manieren gezocht naar samenwerking. Zo is voor het project Nieuw Den Haag een convenant opgesteld, voor de Boulevard Scheveningen een intentieverklaring tot graafrust en voor de ILT Mahlerlaan een gebruikersovereenkomst. De manier waarop afspraken worden gemaakt, hangt samen met de verschillen tussen gemeenten ten aanzien van het beleid voor kabels en leidingen (verordening, precarioregeling en nadeelcompensatie). “Door het maken van afspraken komen de verschillende maatschappelijke belangen van gemeenten en netbeheerders samen (bijvoorbeeld: overlast omgeving en leveringszekerheid). Dit draagt bij aan een betere balans tussen betalen en genieten”, aldus Van Ravesteijn.

Lees meer over de integrale leidingtunnel voor Den Haag Nieuw Centraal in de Verdieping van december 2012. (Foto: IbDH)

Aanzet

De uitkomsten van het onderzoek worden in juni 2013 gepresenteerd in het rapport Verdienstelijke netwerken. Van Ravesteijn licht toe: “De rapportage richt zich met name op de beleidsmakers en economen vanuit overheid, netbeheerders en vastgoedontwikkelaars. Zij krijgen hiermee beter zicht op de omgeving waarin kabel- en leidingvraagstukken zich afspelen. Daarnaast hopen we dat het rapport zal aanzetten tot nadenken en discussie, zodat het mogelijk wordt alsnog een kwantitatief onderzoek uit te voeren. Daarmee kunnen we echt stappen zetten richting maatschappelijke optimaliteit bij de aanleg van kabels en leidingen bij gebiedsontwikkeling.”

(Foto: Vincent Basler)

De Maastunnel in Rotterdam werd in 2012 als eerste tunnel in Nederland uitgeroepen tot rijksmonument. Bij de restauratie/renovatie van de tunnel werken Combinatie Aanpak Maastunnel en de gemeente Rotterdam samen om de wensen en eisen vanuit tunnelveiligheid en monumentenzorg zorgvuldig op elkaar af te stemmen. Buro van Stigt uit Amsterdam werd aangesteld als intermediair tussen Monumentenzorg en de gemeente Rotterdam om de monumentale waarden van de tunnel te bewaken en bewaren.

“Op het moment dat je met een rijksmonument te maken hebt, gaan allerlei zaken spelen. De veiligheidseisen kunnen botsen met de eisen van monumentenzorg”, vertelt Rinus Braam van Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam. “We zijn al in januari 2016 met alle partijen samen gaan zitten om het project voor te bereiden”, zegt Dieter van Staveren van Mobilis/TBI. Het doel is om de oorspronkelijke tunnel uit 1942 zo veel mogelijk te benaderen. Van de in de periode 1937-1942 door de gemeente Rotterdam in eigen beheer gebouwde tunnel is veel documentatie bewaard gebleven. “Maar omdat in die tijd anders met informatie werd omgegaan en bijvoorbeeld niet werd bijgehouden waar asbest werd gebruikt, hebben we veel onderzoek moeten doen”, aldus Rinus Braam.

“Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.”

Dieter van Staveren: “We hebben een heel convergentiejaar gebruikt om alle aspecten van de renovatie af te stemmen. In dat jaar hebben we in de nachtelijke uren al allerlei proeven uitgevoerd. Bijvoorbeeld ten behoeve van de langsverlichting, maar ook het nabouwen van de leuningen van het inspectiedek en het aanbrengen van proefvlakken met geel asfalt.” Rinus Braam: “Dat jaar voorbereiding was een groot voordeel. In samenwerking kom je tot het beste resultaat.” Dieter van Staveren: “Je probeert iedereen in zijn waarde te laten, maar intussen wel door te pakken en door middel van onderzoek zo veel mogelijk te voorkomen dat je tegen onvoorziene zaken aanloopt.”

Focus op uitstraling
Bij de restauratie van een monument als de Maastunnel is vooral van belang dat de uitstraling van het object behouden blijft. Er kunnen andere materialen worden toegepast zolang kleur en vorm behouden blijven. De originele lagedruknatriumlampen worden vervangen door ledlicht. Na uitgebreide proeven is een kleur geel gevonden die niet te onderscheiden is van het origineel. Bij calamiteiten kan worden geschakeld naar wit licht, conform de veiligheidseisen. De gietijzeren armaturen aan de binnenzijde van de tunnel blijven gehandhaafd. Vervangende armaturen worden volgens de oorspronkelijke specificaties opnieuw gegoten. In een aantal gevallen wordt de oorspronkelijke uitstraling juist hersteld. Zo krijgt het asfalt de gele kleur van de oorspronkelijke klinkertjes.

Een vluchtdeur in de tunnel, lees meer in het blog van maastunnel.nl. (Foto: facebook.com/maastunnel)

Dieter van Staveren: “We brengen ook de oorspronkelijke leuningen langs het inspectiepad weer terug. Die waren in de jaren tachtig vervangen. De oorspronkelijke leuningen hebben echter niet de tussenregel die nu wel wettelijk verplicht is, en zijn niet 1,10, maar 0,85 meter hoog. Omdat de leuningen op het inspectiepad staan en in de praktijk nauwelijks worden gebruikt, konden we hier gemotiveerd van de regels afwijken en hebben we een ontheffing op de bouwvergunning gekregen.” Ook ten behoeve van de brandwerendheid moest een compromis worden gesloten. Rinus Braam: “Het plafond van de tunnel is afgewerkt met vuurvaste chamottetegels. Die zijn nauwelijks meer te krijgen. We gebruiken hiervoor Promatect, dat met wapening en stucwerk zodanig wordt afgewerkt, dat het beeld gelijk blijft aan dat van de oorspronkelijke toepassing.” De uitstraling van de hulppostkasten moest vanwege de wettelijke eisen wel veranderen. De kasten worden vanwege de zichtbaarheid rood en kunnen dus niet de kleur van de wandtegels behouden.

Een van de grootste opgaven was het toepassen van de wettelijk vereiste langsventilatie zonder het beeld in de tunnel aan te tasten. Dat is opgelost met een verhoogd tunneldak en een nieuw tussenplafond, waar de ventilatoren aan de buitenzijde van de tunnel tussen zijn geplaatst. De tunneltechnische installaties die verplicht zijn volgens de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw), waaronder luidsprekers en camera’s, zijn zo veel mogelijk geclusterd, zodat de impact op de uitstraling van de tunnel beperkt blijft. Ook ten aanzien van de vluchtroutes werd een compromis bereikt. Door extra trapjes te plaatsen werd voorkomen dat de originele betonnen schampkant gesloopt moest worden.

Anticiperen
Ondanks de goede voorbereiding komen de uitvoerders tijdens de renovatie onverwachte zaken tegen. Bijvoorbeeld toen bleek dat de bestaande wandtegels een veel lagere hechtingsbelasting hadden dan aangenomen, en 17.500 m² replicategels uit Spanje geïmporteerd moesten worden. Vertraging in de voorbereiding is dan onvermijdelijk, terwijl de planning – met twee keer een eenzijdige afsluiting van zomer tot zomer – heilig is. Dieter van Staveren: “We hebben van tevoren gezegd dat we van de beschikbare 52 weken er maar 46 wilden gebruiken. Zo hadden we zes weken voor ‘onvoorziene zaken’.” “En”, vult Rinus Braam aan, “we hebben nog wat optimalisatie in de planning weten te realiseren. Van de buffer uit het eerste jaar hebben we nu (december 2017, red.) drie weken gebruikt. Dus we zitten goed op schema.” Dieter van Staveren: “We zijn er zeker van dat we de eerste tunnelbuis in juli kunnen overdragen aan de opdrachtgever. Volgend jaar zullen we vermoedelijk efficiënter kunnen werken, omdat we hebben geleerd in de eerste buis en niet meer voor verrassingen komen te staan.”

Parkeergarage Houtwal

Om in de binnenstad voldoende parkeergelegenheid te creëren zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid van het centrum, heeft de gemeente Harderwijk een nieuwe parkeergarage laten bouwen aan de Houtwal.

De garage is rond, heeft een diameter van 60 meter en biedt plaats aan 450 voertuigen. In het midden heeft hij een groot glazen dak, dat ervoor zorgt dat tot onderin – ruim 21 meter beneden het maaiveld – daglicht valt. De parkeerlagen hebben de vorm van een spiraal en liggen rond de lichtschacht die een doorsnede heeft van 12 meter. Op weg naar beneden komen bezoekers nergens een pilaar tegen. Voor het verlaten van de garage is een aparte rijbaan gemaakt rond de lichtschacht, die automobilisten zonder obstakels naar de uitgang voert.

Automobilisten rijden als in een kurkentrekker naar beneden. (Beeld: Gemeente Harderwijk)

Diepwanden

De garage is aanbesteed als design-and-constructcontract, en ontworpen en gebouwd door bouwcombinatie Houtwal. Voor de bouw zijn diepwanden gemaakt tot een diepte van 24,5 meter, waarbij elk paneel ongeveer 8 meter breed is en 1,2 meter dik. Een rubberen slab tussen de diepwanden zorgt voor een goede waterdichte afsluiting.

Nadat de ring van diepwanden gereed was, is het grootste deel van de grond hydraulisch ontgraven om overlast voor de omgeving door vrachtwagens te voorkomen. Het natte zand is opgezogen en via een persleiding naar een depot verpompt. De leidingen hiervoor zijn tijdelijk in het gemeentelijke riool aangebracht.

Tijdens graafwerkzaamheden zijn resten van een oude stadspoort ontdekt. Deze zijn gerestaureerd en staan tentoongesteld op de onderste verdieping van de parkeergarage.

Onderwaterbeton

De onderste vloer van de garage bestaat uit onderwaterbeton. Om opdrijven van deze vloer te voorkomen zijn ruim 400 GEWI-ankers aangebracht met een lengte van 34 meter. De paalpunten van deze ankers zitten 53 meter onder het maaiveld.

Voorafgaand aan het storten van het onderwaterbeton is een wapeningslaag van een meter dik aangebracht, die ervoor zorgt dat de vloer niet opbolt. Na uitharding van het onderwaterbeton bleek de aansluiting tussen de vloer en wanden nog niet volledig waterdicht. Daarom hebben duikers gaten door het beton geboord en met injectielansen een expanderende tweecomponentenhars geïnjecteerd tussen de vloer en de wanden. Toen de lekkage was verholpen, heeft de bouwcombinatie het water uit de bouwput gepompt en is begonnen met de afbouw.

Eerst is bovenop het onderwaterbeton een constructieve vloer gemaakt van 75 centimeter dik. Vervolgens zijn de middenkoker en de trappenhuizen gebouwd. Vanuit de trappenhuizen zijn de kolommen gesteld waarop de prefab betonnen parkeerdekken steunen. Het betreft acht betonnen kolommen voor de middenring en zestien voor de buitenring. Het niet-glazen deel van het dak bestaat uit ruim vijftig betonnen dakliggers met een gewicht van elk zestien ton. Het dak is voorzien van gras en het glas is beloopbaar om het gebied een parkachtige uitstraling te geven.

Sprinkler-installatie

De parkeergarage is voorzien van energiezuinige, dimbare led-verlichting. In totaal gaat het om 650 led-armaturen die vier standen hebben: 30, 25, 20 en 15 Watt. Verder is de garage uitgerust met een sprinklerinstallatie. Bij brand gaan de sprinklers nabij het vuur direct sproeien, zodat een brand geen kans heeft zich verder te ontwikkelen. Daardoor blijft de temperatuur bij een brand laag en blijft de bouwkundige constructie gespaard. Een ventilatiesysteem zorgt voor de afvoer van rook.

Visie voor verandering

Woensdag 21 januari 2015, op de jaarlijkse Marktdag, kondigde Jan Hendrik Dronkers (DG Rijkswaterstaat) het aan: Rijkswaterstaat wil dit jaar een nieuwe marktvisie ontwikkelen, sámen met de markt. Wat houdt dat in? Roger Mol, trajectleider en inkoopdirecteur bij Rijkswaterstaat, geeft een toelichting.

“We willen naar een nieuwe marktvisie vanuit verschillende behoeften. Allereerst verandert de wereld om ons heen. Er is bijvoorbeeld steeds meer sprake van gebiedsopgaven in plaats van enkelvoudige opgaven. Rijkswaterstaat en andere publieke opdrachtgevers (gemeenten, provincies, etc.) trekken vaker met elkaar op. We willen niet één probleem oplossen, maar met een oplossing meerdere opgaven aanpakken. Deze verschuiving heeft effect op de samenwerking met de markt, omdat je nu iets anders wilt bereiken. We merken dat de huidige marktvisie ‘De markt, tenzij’ langzamerhand aangepast moet worden naar meer ‘Samen met de markt’.”

“Ik denk niet dat er ooit gelijkheid zal zijn, maar gelijkwaardigheid is wel ons streven. Daarom willen we de marktvisie ook samen met de markt ontwikkelen. Als Rijkswaterstaat in z’n eentje bedenkt wat goed is voor de wereld, dan is er geen gelijkwaardigheid. En een nieuwe samenwerking vraagt zowel inzet van de opdrachtgever als de opdrachtnemer. Het projectbelang – of beter gezegd, het opgavenbelang – moet meer voorop komen te staan. De zogeheten vechtcontracten van de laatste jaren zijn voor ons ook aanleiding om te veranderen. We willen af van de situatie waarbij partijen voor een (veel) te lage prijs inschrijven en je vervolgens alleen maar bezig bent met claims. Dat hoor je ook vanuit de markt. Men wil weer trots zijn op het vak; er worden prachtige dingen gebouwd, maar door al het gedoe raakt dat op de achtergrond. Er is vanuit marktpartijen commitment om het anders te gaan doen.”

Samen

“De marktvisie moet er onder meer aan bijdragen dat we (opdrachtnemers en Rijkswaterstaat) meer begrip voor elkaars rol krijgen. Enerzijds het besef dat wij als Rijkswaterstaat in een politieke context zitten en ook niet alles zelf kunnen bepalen. Er liggen complexe uitdagingen die moeten worden opgepakt in een maatschappij die veel van ons verwacht. Anderzijds begrip voor de markt, waar omzet gegenereerd moet worden omdat er anders mensen op straat komen te staan – zo is het in ieder geval op dit moment. We kunnen niet simpelweg zeggen ‘Volg ons beleid op’ als ons doel is meer samen te werken. We zullen ons meer in elkaar moeten verplaatsen. Daarom zoeken we bij de totstandkoming van de marktvisie al de samenwerking op.”

“Vanuit Rijkswaterstaat hebben we alleen hoofdlijnen geformuleerd, die overigens ook niet in beton gegoten zijn. Op meerdere manieren verzamelen we input vanuit de markt, bijvoorbeeld via Marktvisiecafés. Tijdens elke bijeenkomst staat een ander thema centraal, omdat je anders kans hebt dat het steeds over grote projecten gaat. Terwijl andere onderwerpen ook belangrijk zijn, zoals samenwerking in de keten: Rijkswaterstaat heeft meestal alleen een relatie met een hoofdopdrachtnemer, maar daar zit een hele keten onder en uiteindelijk is die hele keten van belang voor een goed project. Hoe kunnen we dit verwerken in de martkvisie?”

Om stakeholders de gelegenheid te geven om ideeën en wensen in te brengen organiseert Rijkswaterstaat Marktvisiecafés. (Foto: RWS)

Onderscheid

“We hebben inmiddels stapels Excelsheets met input. Twee weken terug zijn we in een rodedradensessie, samen met brancheorganisaties, gestart met het bepalen van de kernpunten. Dat gebeurt op twee niveaus. Er zijn op instrumentniveau veel dingen die we kunnen verbeteren, maar er zit ook een laag daarboven. Cultuur is zo’n overkoepelend aspect. Je brengt daarin geen verandering teweeg met een nieuw of aangepast instrument. En voor veel concrete, praktische problemen is het wel noodzakelijk dat er op een hoger niveau iets verandert. Daarom gaat de marktvisie ook in op deze meer metazaken. De visie kan zodoende bijvoorbeeld impact hebben op de samenstelling van teams, zowel bij Rijkswaterstaat als bij marktpartijen. Diversiteit in typen personen en competenties is van grote invloed op cultuur. De marktvisie kan daarnaast ook onderscheid maken tussen verschillende domeinen. Er zijn wellicht werkvelden die om een specifieke aanpak vragen en daar kan de marktvisie handvatten voor bieden.”

Anticiperen

“Er is een grote urgentie bij ons en bij de markt om de problemen van nu op te lossen, maar we moeten niet vergeten dat we ook ergens naartoe gaan: we leven nu in een bepaalde conjunctuur, hoe ziet die er over vijf jaar uit? Is dat wat we nu aan instrumenten veranderen dan nog wel houdbaar? Stel dat de economie aantrekt, en dat gebeurt in feite al, wat betekent dat dan voor de markt? En waar wil de markt zelf naartoe? Het gaat erom de problemen van nu op te lossen, maar wel met de blik op de toekomst. Bij een Marktcafé was er bijvoorbeeld discussie over intellectueel eigendom. Totdat iemand zei: ‘Waar maken jullie je druk om? De wereld verandert op het gebied van kennis- en informatiedeling zo snel dat intellectueel eigendom over twee jaar helemaal geen issue meer is.”

“Het is de bedoeling dat er aan het einde van dit jaar zowel een marktvisie als een implementatieplan op hoofdlijnen ligt. Daarin staan uitspraken waarmee we direct in projecten aan de slag kunnen. Er zullen ook voornemens zijn die tijd kosten. De implementatie wordt best een uitdaging, dat merken we nu al. Met Bouwend Nederland hebben we bijvoorbeeld een manier bedacht om transactiekosten te verminderen (de kosten die een onderneming maakt tijdens een aanbestedingstraject, red.). Het houdt onder meer in dat de doorlooptijd van de aanbesteding korter wordt. Bij de aanbesteding van Sluis Eefde, waar we dit plan uitproberen, reageerden enkele tendermanagers van marktpartijen echter niet direct positief, ze wilden juist meer tijd. Daaraan zie je dat er vanaf beide kanten veel managementaandacht nodig is om veranderingen door te voeren.”

“Het is daarom ook belangrijk dat we samen de kernpunten valideren die we uit alle input halen. Dat is de reden waarom brancheorganisaties deelnamen aan de rodedradensessie. Zij kunnen aangeven of we de juiste punten te pakken hebben, of dat er nog iets ontbreekt. Daarnaast hebben we Stichting Bouwreflectie gevraagd om een reflectiegroep samen te stellen. Dat zijn mensen die in praktijkprojecten te maken hebben met de onderwerpen van de marktvisie. Herkennen zij de rode draden? Op deze manier willen we achterhalen of dat wat we bedenken, ons daadwerkelijk gaat helpen. De top kan wel overtuigd zijn, maar als het daar blijft hangen, gebeurt er niets.”

Ruimte voor duurzaamheid

Het waarmaken van de ambitie om in de Rotterdamsebaan de meest duurzame tunnel van Nederland te maken, vraagt om nieuwe invalshoeken, kruisbestuiving en inspiratie. Duurzaam ontwerper en ondernemer Daan Roosegaarde en vijftien dwarsdenkende jongeren van NXT Generation gaven het voorbeeld.

Daan Roosegaarde en de jongeren zorgden met hun verhalen voor inspiratie tijdens de kickoffbijeenkomst van het expertteam dat de duurzaamheidsdoelen voor de Rotterdamsebaan gaat benoemen en er EMVI-criteria voor opstelt. “Zoek naar creëerplekken waar verschillende disciplines samenwerken en waar je de ruimte krijgt om foutjes te maken. Dan doe je opeens dingen die je nooit alleen had kunnen bereiken”, aldus Roosegaarde. Aan de hand van een aantal voorbeelden liet hij de experts en andere aanwezigen zien hoe verwondering en ‘anders kijken’ tot onverwachte inzichten en oplossingen kan leiden. Beroemd is zijn idee voor glow in the dark-belijning op snelwegen, waarin hij veiligheid en besparing op energiekosten voor verlichting combineert. In het voetgangersgedeelte van de Maastunnel in Rotterdam stond het tijdelijke kunstwerk Dune 4.1. De honderden ledlampjes reageerden op het geluid en de beweging van passanten. Dit had veel effect op de beleving; de tunnel werd zelfs een gewilde locatie voor trouwreportages.

Daan Roosegaarde tijdens de kickoffbijeenkomst. (Foto: COB)

Ook NXT Generation zorgde voor inspiratie. Het team doet mee aan de FIRST LEGO League, een wedstrijd die jongeren tussen de negen en vijftien jaar uitdaagt om de maatschappelijke rol van techniek en technologie te onderzoeken. Hiervoor bedachten ze een ondergronds tunnelsysteem om een stadje tegen tornado’s te beschermen. Voor de Rotterdamsebaan hebben ze een aantal aanbevelingen opgesteld onder het motto ‘Duurzaam moet je niet doen, maar duurzaam moet je zijn’. Bedrijven die bij de bouw van de tunnel betrokken zijn, moeten bijvoorbeeld laten zien dat ze zelf ook duurzaam zijn. Verder moet er van tevoren nagedacht worden over toekomstig hergebruik: waar ga je de tunnel voor gebruiken als er niet zo veel verkeer meer is?

Dit was de Onderbreking Verbinden

Bekijk een ander koffietafelboek: